Habermas en Marxisme

Jürgen Habermas (1929 – heden) is onder meer bekend als vertegenwoordiger van de Frankfurter Schule, een filosofische / sociologische beweging die zich inzette voor maatschappij- en cultuurkritiek gedurende de vorige eeuw. Een belangrijke verdienste, of vloek (afhankelijk van je perspectief), van de beweging is het geweest om de theorie van Karl Marx aan te passen aan de situatie van de vorige eeuw.

In ‘Marxisme en Filosofie’ (1981), een bundel vertaalde essays, doet Jürgen Habermas een poging om het marxisme te reconstrueren. Dit betekent dat hij delen van de theorie wilt gebruiken, om deze tot een nieuw geheel te construeren. Uit het marxisme is hij met name geïnteresseerd in het idee van historisch materialisme. Dit is de stelling dat “de productievorm van het materiële leven het sociale, politieke en geestlijke levensproces [bepaalt].” (“Marx”, Singer, 1999). Voor Marx betekent dit dat de wijze waarop arbeid in een maatschappij gestructureerd wordt , bepaalt wat het ‘bewustzijn’ van die maatschappij zal zijn. Wat als waarheid, moreel goed of doelmatig gedrag geldt, volgt uit hoe een maatschappij functioneert op het basale niveau van arbeid (en de verhoudingen tussen de arbeiders en de machtigen). Dit is omgekeerd met hoe we normaal vaak tegen de zaken aankijken: niet de politiek bepaalt wat er gaat gebeuren, maar de politiek reflecteert een maatschappelijk structuur die ontstaat door hoe op laag niveau de arbeid georganiseerd is.

Wanneer Karl Marx naar het verleden kijkt, analyseert hij dit vanuit het historisch materialisme. Hij is geïnteresseerd in hoe samenlevingen zich ontwikkelen – en of dit terug te vinden is in hoe de productiemiddelen zich hebben ontwikkeld. Habermas vindt deze ontwikkelingstheorie echter te beperkt, met name omdat de ontwikkeling van identiteit en taligheid compleet buiten beschouwing gelaten wordt. In ‘Marxisme en Filosofie’ behandelt hij enkele van deze bezwaren uitvoerig. Hier wil ik de links die hij legt met de ontwikkelingstheorie van Piaget kort noemen.

Habermas onderzoekt de ontwikkelingen van maatschappijen alsof het de ontwikkeling van een invididueel mens betreft. Om deze reden bestudeert hij de theorie van Piaget (1896 – 1980), een ontwikkelingspsycholoog. Piaget onderscheidt vier fasen in de menselijke ontwikkeling.

De eerste fase is de sensomotorische fase (0 – 2 jaar). In deze fase verkeert de baby in een wereld als een ‘buzzing blooming confusion’ (zoals William James het omschreef). De grens van zijn eigen lichaam ten opzichte van de buitenwereld is nog vaag en de uitdaging is om in deze twee jaar een gevoel van de eigen lichamelijk te ontwikkelen. Hierop volgt de preoperationele fase (2 – 7 jaar) waarin het kind leert spreken en een ‘ik’ ontwikkelt. De wereld wordt bezien van het egocentrische perspectief: kinderen hebben vaak nog moeite om het perspectief van de andere persoon aan te nemen. In de concreet operationele fase (7 – 11 jaar) worden vaardigheden opgedaan om op abstracter niveau te redeneren; een interpersoonlijke doorbraak is het vermogen om het perspectief van een ander aan te nemen. De laatste fase die Piaget onderscheidt, is de formeel operationele periode (11+ jaar), waarin kinderen en jongvolwassenen op volkomen abstract niveau leren redeneren. Dit kan zich in de talige sfeer uiten door een bewustzijn van de relativiteit van taal; de mogelijkheid om op het gebruik van taal te reflecteren en de problemen te erkennen die in deze beweging kunnen optreden. Hoewel de indeling van Piaget empirisch regelmatig onder druk is komen te staan, geeft ze een bruikbare classificatie van verschillende cognitieve stadia in de ontwikkeling van de mens (Developmental Psychology, Leman & Bremner, 2012).

Habermas probeert naast de analyse van Marx, die alleen naar de ontwikkeling van productiemiddelen kijkt, deze ‘ontwikkelingslogica’ toe te voegen. De vier fasen van maatschappelijke ontwikkeling, die samenhangen met de fasen van Piaget, zijn de volgende:

1. Neolitische samenlevingen: gevoel van identiteit binnen de samenleving ontstaat door het verwijzen naar gemeenschappelijke voorvader. De grenzen tussen sociale wereld en de natuur zijn vaag: net als in de sensomotorische fase is er geen duidelijk besef van een ‘wij’ versus de ‘natuur’ (die beheerst moet worden).

2. Vroege hoogculturen: we zien hier een abstrahering van het identiteitsbegrip. Niet langer bindt het besef van een voorvader een volk, maar de gebondenheid aan een bepaald territorium is nu wat de identiteit vormt. Volgens Habermas verloopt dit proces van identificatie via een heerser, vaak een priester die claimt een bijzondere band met de hogere machten van de natuur te hebben. Er ontstaat een duidelijker ‘wij’ gevoel, dat via identificatie met de heerser en rechtvaardiging van zijn macht via mythen tot stand komt.

3. Grote Imperia: landsgrenzen worden steeds relatiever door veranderende bondsgenootschappen en het besef dat er ook andere rijken bestaan (die niet zomaar overwonnen kunnen worden). Dit gevaar wordt bezweerd door de imperia zoveel mogelijk af te schermen en een interne identiteit te ontwikkelen. De verbintenis met andere burgers loopt via steeds abstractere principes (concreet operationeel).

4. Moderne tijd: in een tijd van verschuivende machtsposities en een kapitalistische grondslag (die in principe niet politiek is), moeten staatsburgers op nóg abstractere gronden hun gezamenlijke identiteit vormgeven. Tradities raken uitgehold en de burgers worden sterk teruggeworpen op een ‘ik’-identiteit (versus rolidentiteit in voorgaande samenlevingen). Verbindingen met andere burgers worden aangegaan op zeer abstracte principes als morele en politieke vrijheid. Er wordt nu ontdekt wat vroeger de identiteit vormgaf en gezocht naar nieuwe gronden hiervoor: voor het eerst is identiteit dus een reflexief begrip. Men is zich bewust van wat identiteit vormt en zoekt manieren om dit in de toekomst te manipuleren. Het socialisme van Marx is een voorbeeld hiervan, omdat het zich bewust is van hoe productieverhoudingen tot een bepaalde identiteit kunnen leiden – en deze intentioneel trachten te veranderen.

We zien, in het kort, dus een ontwikkeling van een eenheid met de natuur in de eerste fase, via een scheiden van de menselijke identiteit van de natuur, tot een reflexieve identiteit (wanneer men zich bewust wordt van wat de maatschappelijke identiteit vormt). De link met Piaget is, hopelijk, duidelijk. Deze poging van Habermas om Marx en Piaget in interactie te brengen, is interessant omdat het de vraag opwerpt waarnaartoe de samenleving nu op weg is. Hangt de rijping van grote structuren af van de rijping van het individu? Welke fasen zullen wij dan nog kunnen verwachten na de formeel operationele? En in welke vormen zal de huidige maatschappij zich tranformeren, indien zij niet terugvalt op één van de vorige niveaus?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s