Kapitaal in de 21e eeuw

Kapitaal in de 21e eeuw (2014) is het spraakmakende boek van econoom Thomas Piketty: hierin analyseert hij de geschiedenis en ontwikkeling van financiële ongelijkheid. Hier wil ik (heel) kort zijn boodschap samenvatten, bepleiten waarom het loont om (delen) van het boek zelf te lezen en enkele kritiekpunten behandelen. 

Piketty heropent het debat over de verdeling van welvaart, precies doordat hij deze vraag niet primair als een ideologische benadert. In plaats van de feiten al te veel te voegen naar zijn overtuiging, behandelt hij met het geduld van een wetenschapper de economische stand van zaken in de afgelopen eeuwen. Wat te prijzen valt aan zijn open benadering is dat hij aangeeft hoe en waarom bepaalde statistieken een vertekend beeld kunnen geven van wat er aan de hand is. Een voorbeeld hiervan is dat ongelijkheid meestal werd uitgedrukt in één enkel cijfer (bijvoorbeeld de Gini-coëfficiënt). Piketty geeft aan dat dit weinig informatief is: je weet dan nog niet hoeveel procent van het nationaal product in handen is van bijvoorbeeld de rijkste 1, 10 of 15 procent. Piketty gebruikt dus bewust wel meerdere indicatoren, omdat deze veel complexere veranderingen aan het licht kunnen brengen.

Een boek van ongeveer zevenhonderd pagina’s kan ik niet samenvatten in één blogpost. Daarom zal ik slechts een zeer ruwe schets geven van de bevindingen van Piketty. Ten eerste: kapitalisme bevat tendensen die, mits zij niet door overheden gecorrigeerd worden, tot extreme ongelijkheid leiden. De belangrijkste ‘wet’ voor de toenemende ongelijkheid die Piketty formuleert is ‘r > g’. Dit betekent dat als het rendement over kapitaal groter is dan de groei van een economie, het aandeel van reeds verkregen kapitaal een grotere rol gaat spelen. Als je bijvoorbeeld al veel onroerend goed bezit, waarover je een flinke huur betaald krijgt, en de economie groeit nog maar langzaam, dan zal je relatief steeds rijker worden ten opzichte van mensen die hun geld voornamelijk uit arbeid moeten verdienen. Piketty toont door analyses van dit soort krachten dat het geloof in de vrije markt niet op de feiten stoelt – en dat enige vorm van overheidsingrijpen essentieel is.

Ten tweede: de verdeling van vermogen is meer ongelijk dan die van arbeid. In de VS ontvingen in 2010 de rijkste 10% ongeveer 35% van het totale inkomen uit arbeid, terwijl de armste 50% het met 25% van het geheel moesten doen. Dit is al een zeer sterke ongelijkheid (tenslotte zijn de armste 50% met vijf keer zoveel mensen als de rijkste 10 %: echter hebben zij allemaal samen nog steeds 10% minder deel aan het inkomen uit arbeid). De vermogensongelijkheid (ongelijkheid in bezit) is echter nog schrijnender verdeeld: de rijkste 10% bezaten in 2010 in de VS ongeveer 70% van het totale vermogen. Vergelijk dit met de armste 50%, die slechts 5% bezit (pagina’s 295 – 296). Wie deze verschillen theoretisch wil rechtvaardigen, moet (ironisch) van zeer goede huize komen. Vergaard vermogen zal een steeds belangrijkere rol gaan spelen, nu de groei van de Europese economie aan het matigen is.

Ten derde wil ik Piketty’s suggestie voor een oplossing kort bespreken. Ik heb hier veel van zijn analysen moeten overslaan, bijvoorbeeld over de verschillen tussen de VS en Europa (die helaas kleiner zijn dan we hopen), over de foutieve analyses van vorige economen, over het vertekenen van de data door bureaus van statistiek, etcetera. Piketty’s suggestie is volgende: een (het liefst globale) progressieve vermogensbelasting. Wat houdt dit in?

‘Progressief’ betekent hier dat hoe meer vermogen je bezit, hoe meer belasting je relatief moet betalen. Ter illustratie, stel dat mensen met vermogens onder de 100.000 betalen 5% belasting over hun vermogen, terwijl de mensen met vermogens boven de 100.000 10% gaan betalen. Dit stelsel heeft, volgens Piketty, enkele gunstige effecten. Ten eerste is het een negatieve stimulus om gigantische hoeveelheden vermogen te verzamelen, want dan moet je steeds meer belasting betalen hierover. Ten tweede motiveert het om vermogen in beweging te zetten en niet op te potten, waardoor het de economie een  nieuwe stimulus zou geven. Ook helpt de Europese staatsschulden aan te pakken, want hoewel de staten diep in het rood staan, zijn de privévermogens van Europa nog steeds erg groot. Ten vierde interfereert het niet wezenlijk met principes van de vrije markt en zal het juist eerder eerlijke concurrentie bevorderen. Dit komt doordat het reeds vergaarde vermogen een minder belangrijke rol gaat spelen, dan het in beweging zetten van geld en het creeëren van nieuwe kansen en mogelijkheden.

Dit was, heel in het kort, wat Piketty in zijn boek bespreekt. Ik raad je aan om het boek zelf te lezen, omdat je zo een inzicht krijgt in de nuances die hijzelf in zijn theorie aanbrengt, in hoe het kapitaal zich vervormd heeft in de afgelopen eeuw en ook waarom vroegere economische theorieën geen stand meer kunnen houden. Mocht je geen tijd of zin hebben om je door zevenhonderd pagina’s economische jungle te worstelen, lees dan de inleiding, eventueel het tweede deel, het laatste deel en de conclusie. Mocht dat nog te veel zijn, lees dan de inleiding en de conclusie. Het loont zonder twijfel.

Mijn kritiek op het boek betreft niet Piketty’s data of zijn gevolgtrekkingen. Ik ben geen econoom en moet dit soort kritiek aan economen overlaten. Wat ik mis in het boek is een koppeling naar de sociaal-culturele werkelijkheid. Hoewel Piketty enkele pogingen doet zijn verhaal te koppelen aan ontwikkelingen in de literatuur, valt al snel op dat hij deze boeken met vrij weinig fantasie of creativiteit gelezen heeft. Piketty blijft te dicht bij enkel de economische statistiek, ondanks zijn pleidooi dat de economie nauwer moet samen werken met andere sociale wetenschappen. Sociologische aanvullingen op zijn betoog zouden verhelderend zijn geweest: hoe heeft de ongelijkheid maatschappelijke structuren veranderd? Misschien valt het Piketty niet te verwijten, aangezien hij een econoom is en geen filosoof of socioloog, maar omdat het onderwerp zó beladen is, hadden deze aanvullingen het boek ver voorbij het niveau van louter opheldering van feiten kunnen tillen.

Piketty vermijdt de ideologie en schiet slechts sporadisch uit zijn slof tegen andere economen. Dit siert hem en maakt Kapitaal in de 21e eeuw een goed vertrekpunt om vanuit te discussiëren. Echter, het is ook een illusie dat Piketty geen ideologisch doel had met dit boek – en ik denk dat hulp vanuit filosofie, sociologie en geschiedenis het boek tot een nieuwe ideologische leidraad had kunnen smeden. Wellicht is dit nu aan ons, de samenleving, om het boek te vertalen naar de wereld om ons heen. Wij moeten ontdekken hoe we de lessen van Piketty kunnen gebruiken om de wereld van morgen eerlijker te maken.

Advertenties

Een gedachte over “Kapitaal in de 21e eeuw

  1. […] van merken. Het enthousiasme van de multinationals voor TTIP moet ons sceptisch stemmen (zie ook: Piketty). Ten tweede zegt rijkdom an sich natuurlijk nog niets over hoe Europa zich ontwikkelt. Geld, als […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s