Vrede en de Dialoog

Dit is een oproep aan alle academici in Nederland: stop het wortel schieten van de haat, zwengel het denken weer aan, sla de brug naar de maatschappij. Europa kraakt onder zijn eigen angsten en helt over, richting de zwarte diepten van xenofobie en fascisme.  We staan aan de voet van een Europese crisis en een lange nacht van de leugen als wij gezamenlijk dit onheil niet weten af te weren. Kan het licht van het denken hier geen heil bieden?

                Haat werkt via ontkenning: de ontkenning van menselijkheid, gelijkwaardigheid, nabijheid. Daarentegen werkt het denken via de dialoog en de uitwisseling van gedachten, bevindingen, experimenten. Haat sluit af en verwerpt, denken opent en benadert. Deze openheid en toenadering is bij uitstek wat de universiteit te bieden heeft aan de maatschappij. De openheid van de vraag die niet bij voorbaat beantwoord is toont het denken als proces en als dialoog. Een dialoog kan alleen daar ontstaan waar openheid is voor het Andere – de dialoog is uitstel van oordeel en uitstel van geweld. Waar gedacht wordt, ontspannen de gebalde vuisten.

                Mijn oproep aan alle academici is daarom de volgende: breng de dialoog op gang. Zet uw kennis in werking. Geef publieke lezingen, benader de pers en vertaal uw ideeën zodat ze tot ver buiten het academische kunnen reiken. Deze vrije stroom van het denken als openheid is het sterkste tegengif voor het geweld dat sluimert aan onze Europese horizon.

Spinoza in de Fitnesszaal

Happy FitnessTranscendentie zit een klein hoekje. Het was op een crosstrainer in de fitnesszaal dat ik uit mijzelf trad en de vraag tot mij kwam: “Wat zijn we hier in vredesnaam aan het doen?” Het hielp niet mee dat net het nummer Born to be Wild begon te spelen door de speakers, wat een nostalgie ontwaakte in mijn crosstrainer-buurman (een oude, tengere en ietwat verwilderde man). Even wisselde hij een betekenisvolle blik met mij, alsof hij mij duidelijk wilde maken dat wij hier inderdaad een moment van wildheid deelden, waarna hij nog fanatieker aan de stokken van het apparaat begon te trekken.

De ironie van dit moment deed mijn adem stokken. Born to be Wild in een fitnesszaal waar iedereen ordelijk zijn cardiokwartiertje afwerkt. Waar mens en fitnessmachine versmelten in gehijg en ritmisch gepomp. Wat is er over gebleven van onze wildness? Wat zijn we hier eigenlijk aan het doen?

De fitnesszaal is misschien wel een scharnierpunt, het oog van de naald waar het streven door probeert te schieten. Laat me deze these verhelderen. Onze tijd wordt gekenmerkt door een eindeloos streven. Waar in religieuze werelden het gestreef nog een overkoepelend doel kende (toegang tot de hemel, eenwording met God, noem maar op), is het economische streven een streven zonder einde. De vraag die opkomt is of het eindeloze streven een zinloos streven is? Net als de filosoof Spinoza zou ik dit willen ontkennen: misschien is het streven (conatus in Spinoza’s jargon) zelfs wel de essentie van al het levende. Dus wat geeft het (eindeloze) streven zijn zin? Spinoza beantwoordt dit met het concept van kracht: zolang het streven ons sterkere wezens maakt, is het een zinvol (zelfs goed) streven.

‘Sterker’ verwijst bij Spinoza niet naar de mogelijkheid om zwaardere gewichten op te tillen, maar naar de mogelijkheid om de wereld beter te kunnen begrijpen. Kennis is macht. Echter, zo erkent Spinoza, kan een lichaam dat meer kan, ook meer begrijpen. Dat wil zeggen, een lui lichaam dat zich alleen in bureaustoel van de universiteit kan nestelen, zal nooit de wereld daarbuiten kunnen begrijpen. Het lichamelijke streven ondersteunt en verwijdt het intellectuele streven.

Terug naar de fitnesszaal. Hier zien we natuurlijk ook de ideologie van het eindeloze streven (een anti-ideologie) aan het werk. Een lichaam kan altijd groter, sterker, machtiger worden. Wanneer breekt de zin van dit streven? Ik denk aan de videoclip van De Staat waar de fitnesszaal als een oude arbeidersfabriek wordt afgeschilderd. In deze clip voltooien de sporters mechanisch hun oefeningen, alsof ze daartoe gedwongen worden. Precies hier is het streven gebroken.

Als ik een ethiek van de fitnesszaal zou moeten ontwerpen zou ik een theorie vormen die dit breekpunt vermijdt. Een ethiek die het streven omarmt zonder dit in zinloosheid om te laten slaan. Wat is het criterium voor zinnigheid, binnen welke grenzen moet het streven zich begeven? Ik doe hier de suggestie dat het streven zin heeft, zolang het ons als mensen dichter bij de wereld om ons heen brengt. Zodra het streven doel in zichzelf is geworden (de narcistische dreiging) vervallen we tot een wanhopige stituatie zoals in Sweatshop.

Misschien kunnen we door zo’n ethiek naar Steppenwolf luisteren, zelfs op de crosstrainer, zonder steken van ironie:

Lookin’ for adventure
And whatever comes our way
Yeah darlin’ go make it happen
Take the world in a love embrace

Nietzsche versus God?

Friedrich NietzscheWe kennen Nietzsche als de filosoof met de hamer, de epische snor en een grenzeloze afkeer van het Christendom. We kennen Nietzsche als de filosoof die in het befaamde aforisme het “God is dood!” dramatisch liet schallen. We kennen Nietzsche als de auteur van de polemiek Anti-Christ, waarin niets van de Christelijke traditie gespaard blijft onder het gehak van zijn venijnige kritiek. Het schijnt de atheïstische Nietzsche lezer dan misschien een zwerende contradictie te zijn, dat diezelfde Nietzsche de auteur is van het gedicht “Dem Unbekannten Gott”. Dit gedicht, gericht aan een onbekende God, besluit de grote verdediger van de Herenmoraal zelfs met de woorden: “Ich will dich kennen, selbst dir dienen.” Slaat dit een gat in onze conceptie van Nietzsche als de grote ontmaskeraar van al het religieuze?

Het is natuurlijk zo dat Nietzsche nog erg jong was toen hij dit mooie gedicht schreef. Op negentienjarige leeftijd zal hij nog niet de contouren van zijn destructieve filosofie hebben kunnen zien. Echter, en dit is een belangrijke les die we uit dit gedicht kunnen trekken, speelt religie ook later nog altijd een rol voor Nietzsche. Zo noemt hij zichzelf in Jenseits von Gut und Böse “anti-christelijk, maar niet anti-religieus”. Het ontmaskeren dat Nietzsche telkens weer aangaat is misschien niet te zien als een reductie, als wel als een onthulling van diepte achter het masker. In dit kader spreekt Nietzsche ook over de “grot achter de grot” die we kunnen ontdekken: het ontmaskeren kent misschien wel helemaal geen bodem die we kunnen bereiken. Ik speculeer hier nu, maar in mijn lezing van Nietzsche is dit eindeloze dieper-kunnen-delven in onze wereld wat het religieuze vormt.

Gaat Nietzsches gedicht over de Christelijke God? Moeten we zoeken naar een opheffing van het verschil tussen dit gedicht en de rest van zijn filosofie? Ik laat deze vragen open, zodat dit prachtige gedicht verder voor zichzelf kan spreken:

Dem Unbekannten Gott

 

Noch einmal, eh ich weiterziehe
und meine Blicke vorwärts sende,
heb ich vereinsamt meine Hände
zu dir empor, zu dem ich fliehe,
dem ich in tiefster Herzenstiefe
Altäre feierlich geweiht,
daß allezeit
mich deine Stimme wieder riefe.

 

Darauf erglühet tiefeingeschrieben
das Wort: Dem unbekannten Gotte.
Sein bin ich, ob ich in der Frevler Rotte
auch bis zur Stunde bin geblieben:
Sein bin ich – und fühl’ die Schlingen,
die mich im Kampf darniederziehn
und, mag ich fliehn,
mich doch zu seinem Dienste zwingen.

 

Ich will dich kennen, Unbekannter,
du tief in meine Seele Greifender,
mein Leben wie ein Sturm Durchschweifender,
du Unfaßbarer, mir Verwandter!
Ich will dich kennen, selbst dir dienen.

 

 

Bron: http://www.leesliter.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=98:dem-unbekannten-gott&catid=21&Itemid=178

Speciale dank aan Gerti voor het aanreiken van dit gedicht