Nietzsche versus God?

Friedrich NietzscheWe kennen Nietzsche als de filosoof met de hamer, de epische snor en een grenzeloze afkeer van het Christendom. We kennen Nietzsche als de filosoof die in het befaamde aforisme het “God is dood!” dramatisch liet schallen. We kennen Nietzsche als de auteur van de polemiek Anti-Christ, waarin niets van de Christelijke traditie gespaard blijft onder het gehak van zijn venijnige kritiek. Het schijnt de atheïstische Nietzsche lezer dan misschien een zwerende contradictie te zijn, dat diezelfde Nietzsche de auteur is van het gedicht “Dem Unbekannten Gott”. Dit gedicht, gericht aan een onbekende God, besluit de grote verdediger van de Herenmoraal zelfs met de woorden: “Ich will dich kennen, selbst dir dienen.” Slaat dit een gat in onze conceptie van Nietzsche als de grote ontmaskeraar van al het religieuze?

Het is natuurlijk zo dat Nietzsche nog erg jong was toen hij dit mooie gedicht schreef. Op negentienjarige leeftijd zal hij nog niet de contouren van zijn destructieve filosofie hebben kunnen zien. Echter, en dit is een belangrijke les die we uit dit gedicht kunnen trekken, speelt religie ook later nog altijd een rol voor Nietzsche. Zo noemt hij zichzelf in Jenseits von Gut und Böse “anti-christelijk, maar niet anti-religieus”. Het ontmaskeren dat Nietzsche telkens weer aangaat is misschien niet te zien als een reductie, als wel als een onthulling van diepte achter het masker. In dit kader spreekt Nietzsche ook over de “grot achter de grot” die we kunnen ontdekken: het ontmaskeren kent misschien wel helemaal geen bodem die we kunnen bereiken. Ik speculeer hier nu, maar in mijn lezing van Nietzsche is dit eindeloze dieper-kunnen-delven in onze wereld wat het religieuze vormt.

Gaat Nietzsches gedicht over de Christelijke God? Moeten we zoeken naar een opheffing van het verschil tussen dit gedicht en de rest van zijn filosofie? Ik laat deze vragen open, zodat dit prachtige gedicht verder voor zichzelf kan spreken:

Dem Unbekannten Gott

 

Noch einmal, eh ich weiterziehe
und meine Blicke vorwärts sende,
heb ich vereinsamt meine Hände
zu dir empor, zu dem ich fliehe,
dem ich in tiefster Herzenstiefe
Altäre feierlich geweiht,
daß allezeit
mich deine Stimme wieder riefe.

 

Darauf erglühet tiefeingeschrieben
das Wort: Dem unbekannten Gotte.
Sein bin ich, ob ich in der Frevler Rotte
auch bis zur Stunde bin geblieben:
Sein bin ich – und fühl’ die Schlingen,
die mich im Kampf darniederziehn
und, mag ich fliehn,
mich doch zu seinem Dienste zwingen.

 

Ich will dich kennen, Unbekannter,
du tief in meine Seele Greifender,
mein Leben wie ein Sturm Durchschweifender,
du Unfaßbarer, mir Verwandter!
Ich will dich kennen, selbst dir dienen.

 

 

Bron: http://www.leesliter.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=98:dem-unbekannten-gott&catid=21&Itemid=178

Speciale dank aan Gerti voor het aanreiken van dit gedicht

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s