Nu we er toch zijn…

Nu we er toch zijn..

Nu we er toch zijn..

Paradox van de Gastvrijheid

De bel klinkt en daar verschijnt Eddy Zoëy in de deuropening, vergezeld door een cameraploeg, als zelf opgeworpen hoeder van de gastvrijheid. Zijn vraag: krijgen wij – ik, mijn cameraploeg en duizenden anonieme kijkers – toegang tot jou – jouw huis, je leven en het liefst, de verborgen krochten van jouw geest. Hoe gastvrij ben jij?

Het was de formule van het programma Nu we er toch zijn, waarin bij vreemden aangebeld werd om hun gastvrijheid te polsen. De televisieploeg vroeg om een maaltijd en een slaapplek, en natuurlijk bovenal om het recht hun intieme ruimte (het thuis) te registeren en tot in de onbepaaldheid te verspreiden via de beeldbuis. Deze serie, die inmiddels ruim drie jaar geleden gestopt is, illustreert goed wat de Franse filosoof Jacques Derrida als de paradox van de gastvrijheid kenmerkt. Een paradox die vandaag de dag weer opnieuw voor ons geworpen wordt in de vorm van de vraag: hoe gastvrij is Europa?

Gastvrijheid is een probleem. Gastvrijheid zegt: ik verwelkom jou, zoals jij bent, eet van mijn voedsel, drink van mijn water, wees mijn gast. In dezelfde beweging echter waarmee de gastvrijheid verwelkomt, sluit de gastvrijheid buiten. Om gastvrij te kunnen zijn, moet de gastheer zichzelf als heer voor een gast blijven zien. Ik kan de ander alleen verwelkomen, in zoverre ze mijn gast blijft. De verwelkoming die enerzijds zegt ‘wees als één van ons’, stelt tegelijkertijd ‘maar weet dat wij de uiteindelijke heren en meesters zijn van dit thuis.’ Wees als één van ons, maar toch niet. Eet van mijn eten zoals ik, maar weet dat het mijn eten blijft. Wees mijn parasiet .

Derrida stelt daarom dat de gastvrijheid een begrip is dat van zichzelf het onmogelijke vraagt. Het vraagt het onmogelijke, omdat de onvoorwaardelijke gastvrijheid de gast volledig vrij wil ontvangen. Wees één van ons. Echter, de gast als gast is nooit één van ons, maar de buitenstaander die ons bezoekt. Verwelkomt de gastheer de gast volledig, dan is er geen gastvrijheid meer – want de volledig omarmde gast (als één van ons) zou zelf gelijk aan de gastheer zijn geworden. De gast eet mijn voedsel, dat dan ook het zijne is.

Deze onmogelijkheid is desalniettemin de mogelijkheidsvoorwaarde voor iedere vorm van gastvrijheid. De gastvrijheid kan zich in ideale vorm nooit volttrekken, maar is als ideaal desondanks nastrevenswaardig. Zou gastvrijheid een concrete mogelijkheid zijn, of zouden er draaiboeken en programma’s klaar liggen voor de naleving van gastvrijheid, dan zou er überhaupt geen gastvrijheid kunnen zijn. Dit is de crux van Derrida’s betoog: de gast, als bezoeker, als buitenstaander, is namelijk hij die onverwacht komt en altijd net buiten het programmatische om op onze deur klopt. In deze zin is gastvrijheid enkel daar waar de bezoeker op een onverwacht, ongelegen moment van ons vraagt ons thuis te openen – en niets kan ons op dit moment voorschrijven hoe en in hoe verre wij deze (ongenode) gast zullen moeten toelaten. Gastvrijheid is een keuze die niet kan berusten op vooraf geschetste scenario’s, maar die van ons vraagt om de Ander te ontvangen – met altijd het gevaar dat wij in dit welkom het heerschap over ons thuis verliezen.

Eddy Zoëy incorporeert zo de uiterste onmogelijkheid van de gastvrijheid. Zijn verzoek was parasitair, als gast presenteerde hij zich als kwetsbaar (hulpbehoevend), maar de macht lag natuurlijk in zijn handen. Het onmogelijke verzoek van de gastvrijheid: sta mij toe je huis binnen te dringen, sta mij toe je leven binnenstebuiten te keren, ontvang niet alleen mij, maar geheel Nederland. Het thuis werd ontfutseld uit de handen van de gastheer, door het te filmen en te verspreiden. Dit verlies van het thuis staat altijd op het spel bij ware gastvrijheid, maar alleen in en door dit gevaar kunnen wij werkelijk de deur openen voor zij die op onze drempel staan – onverwacht en nog onzichtbaar.

Bibliografie

Derrida, Jacques. “Hostipitality”. Angelaki: Journal of the Theoretical Humanities. Volume 5, Issue 3, 2000. pp. 3 – 18.

Advertenties