Waarom zijn we zo incapabel? Bernard Stiegler over de techniek

Er is niets zo frustrerend als een laptop die op de dag vóór je deadlines vastloopt en daarna alleen nog bereid is je foutmeldingen te tonen waar je niets van begrijpt. Of een telefoon die uitvalt op het moment dat je midden in een onbekende stad navigeert op GoogleMaps, waardoor je in de regen huilend de Goden vervloekt en de nacht onder een viaduct moet doorbrengen. De mens is afhankelijk van de techniek, en niet alleen de Westerse mens, die zonder het alarm op zijn mobiel niet eens zijn bed uitkomt. Zelfs als je, tot wanhoop gedreven, tot diep in het regenwoud zou vluchten, tref je daar volkeren die hutten bouwen, werktuigen vervaardigen en op een even directe wijze als wij Westerlingen afhankelijk zijn van hun artefacten. Misschien valt je in deze vlucht echter nog iets anders op. Wij zijn weliswaar even afhankelijk van onze technieken, maar leunen op de aanwezigheid van een paar specialisten voor de vervaardiging en ontwikkeling hiervan. Onze techniek is voor de meesten volstrekt onbegrijpelijk. Ik zal hier kort het gedachtegoed weergeven van Bernard Stiegler over de techniek en haar mogelijk giftige werking, als een mogelijk antwoord op de vraag waarom wij zo afhankelijk zijn van onze techniek.

Volgens Stieglers uitgangspunt is de mens een technisch wezen. Vanaf het moment dat we geboren worden, zijn onze lichamen zwak en afhankelijk. We kennen geen vacht, geen klauwen, geen vleugels, geen scherpe tanden. Wel bezitten we een ongekend vermogen de omgeving naar onze hand te zetten: we kunnen ons kleden, werktuigen gebruiken, spreken, schrijven (en kickboksen, red.). Van meet af aan hebben we technieken nodig om te overleven (zoals kickboksen, red.), maar ook om deel te kunnen nemen in de samenleving waarin we en geboren worden zijn.

Een opvallend gegeven van deze artefacten (door de mens gemaakte voorwerpen) is dat ze duurzaam zijn. Ze blijven bestaan, ook als hun makers gestorven zijn. Zo kan een volgende generatie de artefacten van de voorgaande generatie gebruiken en verder ontwikkelen. Er vindt dus een soort evolutie van de techniek plaats. Aangezien de techniek hierdoor ook de omgeving van volgende generaties bepaalt, ontwikkelt de zich ook anders dan wanneer ze in een volstrekt onaangestate omgeving had geleefd. Andere vaardigheden zijn van belang in een technische omgeving dan in een ‘natuurlijke’; dit geeft daarom een specifieke draai aan de evolutie van de mens.

Er zit ook een giftige kant aan deze ontwikkeling. Wat wij overdragen aan de techniek, hoeven we zelf niet meer te kunnen. Plato, in het boek Phaedrus, aarzelt daarom bijvoorbeeld over de waarde van het schrift. Als we alles kunnen opschrijven, maakt dit dan onze geheugens niet slechter? Wie een boodschappenlijstje kan maken, die gaat zijn boodschappen niet uit zijn hoofd leren. Tegelijkertijd hadden we zonder het schrift deze gedachte van Plato niet eens gekend! Volgens Stiegler is het de opgave van de mens om te ontdekken hoe de technieken, die eerst tot een verlies van vaardigheden leiden, ons uiteindelijk heilzame mogelijkheden bieden om betere wezens te worden.

In moderne technieken zien we dit verlies aan mogelijkheden, doordat het niet langer noodzakelijk is dat we zelf kunnen navigeren (GoogleMaps), hoofdrekenen (rekenmachine), spellen (AutoCorrect), of onze reizen kunnen plannen (SkyScanner) – en de lijst gaat door. Alles kan worden uitbesteed aan de techniek, waardoor wijzelf minder en minder hoeven te na denken. Maar, net als bij elke techniek, ontstaan er ook hier ongekende nieuwe mogelijkheden voor de mensheid, om te bedenken wat voorheen ondenkbaar was. Waarom lukt het ons niet, om dit verlies aan denkkracht tot nu toe werkelijk te compenseren – en waarom worden we vooralsnog alleen maar afhankelijker van de digitale techniek?

Volgens Stiegler komt dit vooral doordat er sinds de Industriële Revolutie is er iets vreemds gebeurd met de techniek. Zijn argument is, grofweg, dat er sindsdien technieken ontstaan zijn die specifiek vanuit commercieel oogpunt ontwikkeld zijn. Verschillende investeerders boksen tegen elkaar op, om steeds efficiëntere technieken aan de man te brengen. In de twintigste eeuw wordt de massapsychologie ontwikkeld en in dit proces betrokken. Wanneer er geen behoefte is aan alweer een nieuwe techniek, dan schept de juiste marketing deze wel. Dit alles heeft geleid tot een impuls voor permanente innovatie. Zo kon het dat de wereld binnen een eeuw de komst zag van de auto, de computer, het internet en de smartphone. Er bestaat sedertdien een eindeloze drift te vernieuwen en te vervangen.

Enerzijds heeft dit de mens in staat gesteld te doen wat voorheen onmogelijk leek. We zijn zelfs op de maan geweest. Anderzijds levert dit ook een nieuwe dynamiek op tussen mens en techniek. Eerder zei ik al dat de mens is een technisch wezen is. Kijk maar eens om je heen. Waarschijnlijk is alles wat je ziet door mensen gemaakt, of anders in ieder geval door mensen gepland en verwezenlijkt. Maar onze technische omgeving is sinds de Industriële Revolutie ook grotendeels geïndustrialiseerd. De technieken worden gemaakt omdat ze geld opleveren, niet per se omdat ze ons helpen als soort vaardiger te worden. De ontwikkelaar van een smartphone zal het worst wezen of jij begrijpt hoe dit apparaat werkt: zolang je het blijft gebruiken, kan hij zijn product aan jou kwijt.

Google, bijvoorbeeld, is niet, zoals het schrift, een ‘neutrale’ techniek die het mogelijk maakt om informatie te delen, maar een commerciële dienst die probeert winst te maken over de massale uitbesteding van het menselijk geheugen. En deze commerciële diensten veranderen hoe wij ons als mensen ontwikkelen. Dit kunnen we nu al in onze biologie herkennen. Onze breinen zijn, bijvoorbeeld, plastisch: dat betekent dat een brein dat veel Google gebruikt, er werkelijk anders uitziet dan een brein dat dit niet heeft gedaan. Zo bepalen commerciële bedrijven tegenwoordig in grote mate binnen welk technisch milieu de mens zich verder zal ontwikkelen. Deze ontwikkeling is er daarom niet op gericht de mens uit een staat van afhankelijkheid te brengen, en de technieken te ‘adopteren’, dat wil zeggen, eigen te maken. Commercieel gezien is een grotere afhankelijkheid lucratief – we moeten op onze hoede zijn dat deze impuls ons niet collectief dommer en dommer maakt.

De filosoof Heidegger schrijft in zijn techniekopstel dat er geen demonie van de techniek is. Dit is correct. De techniek is niet kwaadaardig, maar kent ook geen uit-knop die we als mensen zouden kunnen indrukken.We zijn veroordeeld tot technieken. Wat we zullen moeten doen, is nadenken over wie wij willen worden en welke technische omgeving daarbij past. Deze keuzes kunnen we niet overlaten aan bedrijven die er baat bij hebben dat we in volledige afhankelijkheid van hun producten een eindeloze nacht van domheid tegemoet treden. We moeten leren hoe we de technieken van nu, met hun ongekende mogelijkheden, gebruiken om betere mensen te worden.

Dank aan Friso de Vries voor controle van deze post

Verder lezen:

Stiegler, Bernard. Technics and Time I: the Fault of Epimetheus.

Stiegler, Bernard. What makes life worth living? 

Heidegger, Martin. Frage nach der Technik.

Artikelen van Nederlandse techniekfilosoof Pieter Lemmens.