Van de Extinctie II: Erkenning

1eedd6e5-f265-4157-b304-1f678d043d48

Foto 1. Hert bij de Waterleidingduinen. Bron: Het Parool.

De volgende post is een longread. Ik heb op verzoek tweemalig (bij deze en de vorige post) voor dit format gekozen. Hierdoor heb ik de ruimte gekregen om mijn gedachten iets breder uit te werken. 

In wat volgt doe ik een eerste poging om te denken waarom het een kwaad is als andere levenssoorten uitsterven door menselijk toedoen. Ik zal laten zien hoe we via de waarneming van levende wezens een raakvlak van beschrijving en ethiek kunnen onthullen. Als we een levensvorm als zodanig erkennen, dan erkennen we ook dat het een Andersheid heeft ten opzichte van ons. Deze Andersheid zou mogelijk kunnen functioneren als grond voor respect van het andere leven.

Vervolgens zal ik een argument tegen mijn positie inbrengen: ligt in de erkenning van het andere leven niet de mogelijkheid tot vergissing? Dat wil zeggen: hoe weten we dat het andere leven ‘echt’ is, kan onze waarneming geen vergissing zijn? Dit zal ik weerleggen.

Ik eindig met enkele vragen en tekortkoming van de benadering die hier voorgesteld wordt. Het belangrijkste probleem is dat de erkenning verloopt via onze menselijke maatstaven. Niet al het leven is voor ons evenveel waard. De ethiek, echter, lijkt ons te vragen deze ‘belemmering’ te overschrijden.

I. Hoe zien wij andere levende wezens?

Ik loop in een bos en zie een hert. Wat zie ik? Ik zie iets, dat ik onmiddellijk als ‘hert’ herken. Een wezen, ietwat schriel, op vier poten, dat na een korte blik op mij met grote schreden het bos in rent. Ik zie dat het een hert is, dus ik herken zowel 1) dat het een hert is, dat wil zeggen, een enkel wezen, als dat 2) dit enkele wezen een hert is, dat wil zeggen, dat het tot een bepaalde soort behoort. In de directe waarneming van het andere leven komen bepaaldheid en algemeenheid blijkbaar samen.

Hoe weet ik dat het individu dat ik zie, een hert is? Ik zou kunnen zeggen: doordat ik zie dat het vier lange, magere poten heeft, doordat het zulke oortjes heeft en zulke ogen en ongeveer zo groot is. Maar dit alles benoem ik pas, nadat ik onmiddellijk wist dat deze eigenschappen samen het hert vormen. Ik zie het hert als geheel, voordat ik zijn delen zie. Het hert is onmiddellijk daar, voor mij. In de filosofie wordt dit wel eens een Gestalt genoemd. Het geheel vormt de waarneming van de delen.

Een vraag: is dit ‘geheel’ in dit geval afkomstig van het hert ‘zelf’ of enkel van mijn waarneming? Laten we kijken naar hoe ik het hert zie, voordat we hierover reflecteren. Ik zie het hert als een wezen dat buiten mij bestaat.Wat ik herken is dat het hert mij opmerkt. Dit opmerken zie ik aan de blik die op mij gericht wordt en de daaropvolgende handeling van het hert (vluchten).Deze dingen kan ik direct zien. Wat ik niet zie, is wat het hert ‘beleeft’ als het zijn blik op mij richt. Als het hert mij aankijkt, dan zie ik alleen dat zijn ogen zich op mij richten. De ervaring is echter niet juist beschreven als ik enkel zeg “ogen die naar mij draaien”, maar ik ervaar eerder dit: “een hert dat mij aankijkt.”

Het  mij-aankijkende-hert aanschouw ik daarom voordat ik de andere, strikt empirische eigenschappen zie die mij tot deze conclusie leiden brengen (de draaiende ogen, het wegrennen). In de waarneming zie ik het hert als een geheel, dat uit zichzelf bestaat. Dit zien is dus juist niet onmiddellijk terug te leiden tot dat wat ik daadwerkelijk zie als de losse delen van deze waarneming. Het is eerder een ‘zien als…’. De delen van het geheel (de blik van het hert, het vluchten, etc..) verschijnen als de delen die ze zijn, omdat ik het hert zie als een wezen dat werkelijk is.

Anders gezegd, als je mij vraagt: ‘hoe zie je dat het hert jou aankijkt?’, dan zou ik kunnen vertellen: ik kan zijn ogen zien, zijn kop, die zich naar mij gedraaid heeft. Maar deze concrete eigenschappen zie ik pas nadat ik heb gezien dat het hert als een geheel wezen mij aankijkt. In het onmiddellijke zien, dat daarom misschien beter een schouwen kan worden genoemd, zie ik iets wat ik niet in het opbreken van dit zien kan terugvinden. Ik reik in de onmiddellijke ervaring reeds voorbij mijzelf en moet erkennen dat ik niet anders kan dan dit hert te zien als iets anders dat mij aankijkt. De werkelijkheid van het individu ligt besloten in hoe hij zich aan mij presenteert.

Ik herken het hert als een ander wezen, dat eigen doelen stelt en een eigen beleving heeft. Op basis hiervan zou ik kunnen erkennen dat het een geweld is wanneer ik dit wezen aan mijn wil onderwerp. Een ethiek zou kunnen bevragen in hoeverre dit geweld gerechtvaardigd is. Deze vraag heeft zin, zolang we de werkelijkheid van het andere wezen erkennen

II. Mogelijk probleem met deze visie: de vergissing

Wat ik geprobeerd heb te schetsen, is hoe, in de alledaagse waarneming, we levende wezens erkennen als gehelen die een werkelijkheid hebben buiten mij om. In de reflectie hierover, kunnen we ons echter afvragen of we ons hierin niet vergissen. Ik kan een tak zien, en deze voor een gewei houden. Bij nader inzien blijkt het echter een tak, en geen hert. Men kan ook de klassieke vraag opwerpen hoe ik überhaupt weet dat er ‘echt’ een hert is voorbij mijn waarneming. Is dit niet gewoon een projectie van mijzelf, net zoals een geesteszieken dingen ziet die er ‘niet echt’ zijn?

Dat ik een hert zie, daaraan kan ik niet twijfelen. ‘Maar misschien droom je wel, en zie je alleen een afbeelding van een hert, een afbeelding zonder »werkelijke« tegenhanger?’ Dat doet er voor de beoordeling van mijn directe perceptie niet toe. Ook in mijn dromen kan ik over een hert dromen, dat zich dan als zodanig binnen mijn droom manifesteert. Ook dan kan ik niet eraan twijfelen dat ik een hert zie (in mijn droom).

‘Maar nogmaals, in een droom kan je deze sensatie ook hebben, zonder dat er dan werkelijk iets is dat je aankijkt!’ Wanneer ik wakker word, blijkt dat alles wat ik droomde zich niet ‘echt’ voltrokken heeft, maar ‘alleen in mijn hoofd’. Dus, als ik droom dat ik een hert zie, heb ik niet in het echt een hert gezien. Hoe kan ik dan beweren dat de werkelijkheid van het individu in mijn waarneming besloten ligt, als iets wat daaraan ontsnapt?

De mogelijkheid tot vergissing onthult echter iets bijzonders, wat ons juist een handvat geeft van zekerheid. Wat is namelijk de voorwaarde onder welke ik mij überhaupt kan vergissen? Als ik mij ergens in vergis, dan weet ik dit doordat ik een nieuwe ervaring opdoe, aan welke ik meer geldigheid toeken dan aan de ervaring waarin ik mij bleek te vergissen. Een voorbeeld: ik kan denken dat er, op een hete dag, water op het asfalt ligt. Als ik dichterbij kom blijkt het asfalt droog te zijn. Het was een illusie. De tweede ervaring, samen met de aanname dat water niet zo plots kan verdwijnen, doet mij twijfelen aan de eerste ervaring. Ik kan mij alleen vergissen, als ik een andere zekerheid heb, op basis waarvan mijn vergissing onthuld kan worden.

Hetzelfde geldt voor mijn directe perceptie van dingen buiten mij. Ik kan alleen twijfelen aan de ‘werkelijkheid’ van een waargenomen hert, omdat ik er meestal vanuit ga dat mijn ervaringen een werkelijkheid onthullen. Ik weet echter dat ik soms droom, en kan daarom twijfelen over de waarachtigheid van een individuele waarneming. Deze twijfel verwijst naar een mogelijke nieuwe waarneming, die mij ‘zekerheid’ kan verschaffen: het wakker worden en de droom als droom onthullen. Daarom stel ik: een droom waaruit wij nooit kunnen ontsnappen, is geen droom en kan zich nooit onthullen als zodanig. Een twijfel die betwijfelt of mijn waarnemingen überhaupt met de werkelijkheid te maken hebben, heeft daarom geen grond waarop ze beslist kan worden. Er is geen waarneming meer denkbaar die deze twijfel zin geeft.

Zo toont de mogelijkheid van zinvolle twijfel juist dat we meestal een werkelijkheid toeschrijven aan dat wat we waarnemen. Het zien van een hert geldt enkel als zien, wanneer ik deze aanname maak: dat het om een wezen buiten mij gaat, dat mij kan opmerken. Vanwege dit opmerken, erken ik intuïtief dat dit hert kan merken en dus, hoe onbereikbaar het ook voor mij is, zelf bewust is van iets.

Let wel, men kan sputteren dat dit een ongeoorloofde uitspraak is, dat dieren geen bewustzijn hebben, dat we zo het criterium voor bewustzijn bij onze perceptie leggen, etc.. Echter, ik probeer hier juist dicht te blijven bij hoe we in onze alledag de werkelijkheid verstaan. In de praktijk erkennen we het bewustzijn van dieren continu. Wanneer ik met mijn hond wandel, dan begrijp ik wat hij wil indien hij herhaaldelijk naar mij kijkt: dat ik de bal werp. Wanneer ik een vlieg tegen mijn raam zie botsen, begrijp ik dat hij naar buiten wil. In dit streven en willen van de beesten (en planten!) ligt iets van hun waardigheid. In de praktijk erkennen we hun onafhankelijke existentie. We handelen niet ‘als of’, maar handelen met echte, levende wezens.

Bovendien is dit niet anders dan hoe ons contact met andere mensen verloopt. Voor mij is de beleefwereld of het bewustzijn van de meeste van mijn medemensen een groot raadsel, zelfs al kunnen zij mij mededelen wat zij denken. Het gaat hier ook niet om absoluut kennen, maar juist om een erkennen. Wie zich eens waagt aan een oefening van verregaande inleving struikelt over onvermijdelijke hordes – de ander blijft Ander – die het betekenisvol maken om relaties aan te gaan.

III. Samenvatting tot nu toe

Ik vat hier kort de resultaten van het bovenstaande, eerste onderzoek samen. Ik herken dieren als behorend tot een soort (‘hert’), maar herken ze ook als een individu (‘een hert’). Weliswaar kan ik twijfelen of ik mij niet vergis in deze perceptie, bijvoorbeeld of ik droom, of dat ik een tak verwar voor een gewei. Dit vergissen is alleen mogelijk omdat ik meestal zekerheid heb dat ik een ander wezen zie. Diepere twijfel over dit gegeven verliest een grond waartegen ze gerechtvaardigd is. Ik erken andere wezens als strevend naar doelen. Deze erkenning leidt ertoe dat ik deze wezens buiten mijzelf zie, strevend vanuit een eigenheid (die bevat is in mijn ervaring als daaraan voorbijgaand). Hierin ligt iets van hun waardigheid: ik behandel ze als anderen.

IV. Grenzen van deze visie

Hoewel bovenstaande analyse ons een mogelijk pad geeft naar erkenning van waardigheid, lopen we onmiddellijk tegen een fundamenteel probleem aan. Wij kunnen niet al het leven op een gelijke wijze herkennen en erkennen! Dit heeft, ten minste, twee redenen. Ten eerste is niet al het leven zichtbaar voor ons. Ten tweede is niet al het leven ongevaarlijk voor ons. Hieronder ga ik kort op beide problemen in.

1) De empathie en erkenning van de Ander vindt gemakkelijker plaats met aan ons gelijke levensvormen. Een hert toont zich duidelijk als een ander wezen met een eigen wil en streven. Niet al het leven toont zich echter zo. Het is voor ons bijvoorbeeld onmogelijk om het onzichtbare leven van bacteriën te erkennen (als ethisch waardig). Hoewel mijn visie hierboven een aanspraak op Andersheid ontwaart, is ze – natuurlijk – nog wel gecentreerd rond de menselijke waarneming. Ze kan dus niet op gelijke wijze het streven van bacteriën en virussen onthullen, als dat van grotere wezens. Ethiek wordt zo dus op een bepaalde wijze toch onderworpen aan dat wat is, namelijk als dat wat zich kan tonen aan ons als min of meer gelijk aan ons en de werking van onze empathie.

2) Ook zijn er levensvormen die direct gevaarlijk voor ons zijn, die misschien wel als Ander erkend worden, maar niet als zodanig worden gerespecteerd. Oftewel: de wil van andere wezens kan tegen de onze indruisen. De aanwezigheid van grote roofdieren in menselijk leefgebied is hiervan een voorbeeld. Ik kan de waardigheid van een beer erkennen, maar ook bewust beëindigen indien hij mij aanvalt. Is het verdwijnen van gevaarlijke soorten een kwaad? Als beren kunnen leven in gebieden waar ze zelden mensen treffen, dan zullen weinigen hen het licht in de ogen niet gunnen. Hoe zit het echter met ziektes? Ook virussen vallen misschien als leven te zien, toch zal niemand voor het voortbestaan van AIDS de barricades op gaan. ‘Leven’ op zich valt blijkbaar niet noodzakelijk te respecteren. Waar ligt de grens en hoe ontstaat deze?

Op deze punten heb ik nog geen antwoord. Zij dienen als vingerwijzingen op de incompleetheid van de visie die ik hier presenteer. Wie zich geroepen voelt over dit onderwerp na te denken, zal rekening met deze tegenwerpingen moeten houden.

V. Conclusie

Kortom: de voorwaarden van onze perceptie, maken dat de empathie en erkenning niet universeel geldig zijn voor al het leven. Een beleid van conservatie op basis van deze visie is mensgericht, ondanks dat het wel de waardigheid van (bepaalde) soorten erkent.

In hoe verre is dit een probleem? Het voelt alsof wij, zolang wij menselijke normen aan de natuur opdringen, nog geen ethiek vanuit de natuur hebben gevonden. Blijkbaar moet deze ethiek betrekking hebben op de natuur als geheel, dat wil hier (in ieder geval) zeggen: op alle levende wezens. Waarom is dit eigenlijk zo? Misschien omdat we merken dat het opdringen van louter onze wil aan de dingen, leidt tot een algehele vernietiging van het leven. Maar moet dit ons tot een ethiek brengen, die zich ontfermt over al het leven? De oorsprong van deze aanname dient verder onderzocht te worden.

Als we een ‘mensgerichte’ ethiek te beperkt vinden, dan zullen we ook moeten vragen wie de mens is binnen het geheel van de Natuur die de ethiek beperkt. Hoe kwamen wij in dit centrum rondom de ‘mens’? Is het wel een centrum? Het tekortkomen van bovenstaande visie kan ons zo leiden tot een onderzoek naar onze plaats binnen de Natuur. Dat wil zeggen: wat is deze ‘menselijkheid’ waardoor wij beperkt zouden zijn in het formuleren van de universele ethiek die blijkbaar nodig is?

Zo leidt mijn onderzoek tot de volgende twee vragen. 1) Waarom zou een ethiek nodig zijn die universeel is, dus op al het leven betrekking heeft? 2) Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat de ‘mensgerichtheid’ deze universaliteit belemmert? Wie is de mens binnen het proces van de Natuur?

Dit zijn niet de minste vragen. Denkend cirkel ik rondom iets dat mij telkens ontglipt. In het rappe verdwijnen van onze mede-aardlingen zullen we gezamenlijk moeten proberen dit cirkelen te gronden. Wat verdwijnt komt nooit meer terug.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s