Helmuth Plessner: Dingen Dubbel Zien

 

Plessner: De twee gezichten van het Ding

Helmuth Plessner was een door de fenomenologie beïnvloedde Duitse denker, die gedurende een decennium voor het uitbreken van WOII ook nog in Nederland gedoceerd heeft. Ik kwam zijn werk op het spoor via twee wegen. Enerzijds is hij een denker die behoort tot de canon voor het schoolvak filosofie. Als docent in opleiding verdiepte ik mij daarom wat in zijn gedachten en zag parallelen met mijn eigen project. Ten tweede is zijn werk een voortzetting van wat ik zie als het natuurfilosofisiche denken: een zoektocht naar de rol van filosofie over de natuur tegenover (en met) de natuurwetenschappen. Wat Plessners werk tamelijk uniek maakt is dat hij, in tegenstelling tot sommige andere filosofen uit zijn tijd, niet streeft naar een kritiek op de wetenschap, maar naar een kritiek van de wetenschap.

Het verschil is dat de laatste insteek de mogelijkheidsvoorwaarden onderzoekt van het wetenschappelijke denken, in plaats van dit denken te ondermijnen. Dit houdt in dat Plessner zich toelegt op een diepgravend onderzoek van de betekenis van de concepten waarmee de (met name biologische) wetenschap de wereld poogt te beschrijven. Waar een wetenschapper als het ware door zijn bril van aannames en ideeën naar de wereld kijkt, neemt Plessner deze bril af om te onderzoeken wat de concepten nu precies impliceren. In Die Stufen des Organischen und der Mensch (1965) is één van de belangrijkste vragen: wat is het leven? Een concept dat min of meer vanzelfsprekend gebruikt wordt in de biologie, maar filosofisch mistig is – een concept om door te dwalen.

Deze blogpost is een korte introductie tot het soort denken dat Plessner uitvoert. Het werk van Die Stufen is immens complex en ik kan niet beweren het argument dusdanig in de vingers te hebben dat ik het hier in zijn geheel zou kunnen ontvouwen. Daarom richt ik mij tot één van de stappen die Plessner in het begin van dit boek zet, een stap die mijn wereld veranderd heeft. Die stap is de stap richting het ding en diens onzichtbare substantie.

Eenheid en Organisatie

Het argument van de Stufen, voor zover ik dat als onnozele snotaap begrijp, berust op het inzicht dat er een gespletenheid bestaat in de wijze waarop wij de wereld waarnemen. Dit is een inzicht dat typisch is voor de natuurfilosofie, zoals die door Schelling ontwikkeld is. Bij Schelling was de natuur zelf essentieel gespleten en is het gehele gebeuren dat plaats heeft in het universum een poging deze splitsing tot een eenheid te verzoenen. Plessner is minder dramatisch, maar toch berust zijn idee van het leven en van het organisme op een dubbelheid, een frictie, die eigen is aan de wijze waarop wij de dingen gewoonlijk waarnemen.

“Jedes in seimen vollen Dingcharakter wahrgenommene Ding erscheint seiner räumlichen Begrenzung entsprechend als kernhaft geordenete Einheit von Eigenschaften.”

-Helmuth Plessner, Die Stufen des Organischen und der Mensch, 1965, pagina 81

Alles wat aan ons als ding verschijnt, verschijnt als een ruimtelijk begrensde eenheid van eigenschappen. Laten we deze lastige definitie wat uitpluizen. Een ding is ruimtelijk begrensd. Het neemt een plaats in de ruimte in. Deze plaats is bovendien afgebakend. Niet alles wat wij zien is daarom een ding. De nachtelijke hemel, dat grote zwart dat zich oneindig uitstrekt boven mij is geen ding, omdat het geen grenzen heeft. Een kopje op mijn bureau is wel ding, omdat het een duidelijk begin en einde in de ruimte kent. Ten tweede is het ding een eenheid. Wanneer ik naar dit kopje koffie kijk, dan zie ik precies dat: één kopje. Ik zie niet eigenschappen die los van elkaar zweven, dat wil zeggen, ik zie niet de zwarte kleur los van het porselein waaruit het bestaat. Ik zie niet het oor als een deel dat toevallig aan het kopje vastzit: het kopje vormt met al zijn onderdelen en eigenschappen een geheel. Ik zie het als kopje, een eenheid, niet als een verzameling. Maar, ten derde, kan ik desondanks wel een veelheid aan eigenschappen onderscheiden binnen deze eenheid. Zoals ik zojuist opmerkte kan ik wel de kleur van het kopje zien, ik kan de vorm zien, ik kan de temperatuur voelen, ik het oor van het kopje vastpakken, etc.. Dat wil zeggen, hoewel het kopje een eenheid is, is het een eenheid van een veelheid aan eigenschappen.

Precies daarin ligt volgens Plessner een interessant inzicht verborgen. Houd je vast. De kern van het ding blijft verborgen. Dat wat de vele aspecten van het ding als eenheid verzamelt is niet zelf iets dat wij kunnen zien. Dit kunnen we nog iets duidelijker maken. Ik zie het kopje nu vanaf één kant. Ik heb een waarneming van zijde x van dit kopje. Als ik het kopje omdraai, dat zie ik een andere kant, zijde y van het kopje. Ik heb dus twee verschillende waarneming van hetzelfde ding. Maar hoe weet ik dat deze twee waarneming aan dit ding toebehoren? Hoe weet ik dat y en x zijdes van het hetzelfde kopje zijn en niet twee waarnemingen die los staan van elkaar? Wat bindt deze waarneming tot een geheel? Volgens Plessner is de waarneming van het ding gestructureerd rondom het idee van een onzichtbare kern, een substantie, waardoor wij nooit haar verschillende aspecten als distinct en los van elkaar kunnen zien. Het ding is dat wat deze aspecten ‘heeft’. Wat wij waarnemen zijn dus eigenschappen van het ding, maar het ding zelf (als eenheid) blijft verborgen – of komt door uitdrukking via een veelheid waarvan het de ordening is.

Dit lijkt misschien een typisch probleem voor filosofen, vol van onrust over zaken waaraan de gewone mens moeiteloos voorbijgaat. Geef je de vragen van Plessner de ruimte om in te grijpen in jouw wereld, dan gebeurt er iets wonderlijks. Het is het allergewoonste besef omringd te zijn door de dingen. De vraag van Plessner doet dit besef schudden op zijn grondvesten – want wat precies zijn deze grondvesten? Hoe komt het dat wij dingen kunnen waarnemen, wat maakt het ding tot het ding dat het is? De vraag verheft het gewone tot een wonder.

Wat Plessner ontrafelt is dat wij nooit zomaar twee zijdes van dingen zien, als opeenvolgingen van losse waarnemingen. Deze waarnemingen van een ding tonen zich precies als dat: waarnemingen van iets. Wat Plessner suggereert is dat dit ‘van’ toont dat in de losse waarnemingen meer zit dat wij direct zien. Zij bezitten een structuur, zij zijn geordend rondom het idee van een ding, een idee dat zelf onzichtbaar blijft.

Een voorbeeld

Ik zie dit kopje. Ik zie nu weer deze kant ervan, nu weer die kant. Ik weet dat beide kanten aan de eenheid van het kopje toebehoren, maar deze eenheid zelf zie ik nooit! Dit is de dubbelheid van het ding. Enerzijds hebben wij de waarneembare eigenschappen. Maar deze waarnemingen zweven nooit zonder ordening op ons af. Zij zijn deel van een eenheid die geïmpliceerd is in hun structuur, zonder zelf in één keer als eenheid waargenomen te kunnen worden. Het ding heeft een onzichtbare substantie, die het zichtbare binnen een bepaalde structuur dwingt.

Stel je voor dat ik foto’s zou maken van alle kanten van dit koffie kopje. Dan zou ik een hele reeks hebben aan visuele eigenschappen van het kopje. Toch zou ik nergens kunnen aanwijzen waar ik op een foto zie dat dit één kopje is. De eenheid is duidelijk, niet te ontkennen, maar ik kan aan niemand uitleggen op welke foto het kopje compleet verschijnt. We moeten volgens Plessner andersom redeneren. De eenheid gaat vooraf aan de veelheid. Ik kan al deze aspecten (veelheid) herkennen als één ding, omdat het ding zelf kernachtig, met een substantie, vooraf gaat aan de vele wijzen waarop het kan verschijnen. Dat ik oneindig veel zijden van het kopje kan verkennen betekent dat het kopje geen som is van deze delen (ik hoef niet alle kanten van het kopje te zien voordat ik weet dat het één ding is), maar hun concept is, de substantie die ze bindt zonder zelf direct waargenomen te hoeven worden.

“Man mag das Ding wenden, um es herumgehen, es zerschneiden, wie man will: was sinnlich belegbar da ist, bleibt Ausschnitt aus einer slebst nicht auf ein Mal erscheinenden, trotzdem als das daseiende Ganze anschaulich mitgegebenen Struktur.”

-Helmuth Plessner, Die Stufen…, 1965, pagina 82

Link met natuurfilosofie

Voor Plessner is deze dubbelheid een eerste moment waarin hij op een dualiteit stoot die scherp bij organismen, bovenal bij de mens, naar voren komt. Wat belangrijk is te beseffen is dat volgens Plessners analyse wij een ding niet uitputtend kunnen beschrijven door alle eigenschappen die het heeft op te sommen. Wij kunnen de kern van het ding zelf niet waarnemen. Toch nemen wij telkens aan dat er zo’n kern is. (Let wel: Plessner stelt nog niet dat er ‘werkelijk’ gespleten dingen bestaan, hij analyseert enkel de aannamens die spelen in een de wijze waarop wij gewoonlijk over leven denken).

Voor organismen is deze dubbelheid een voorwaarde te bestaan. Een organisme is een geheel, een levend iets, dat zichzelf structuur geeft en organiseert via de werking van diens organen. Een organisme is een eenheid, maar een eenheid die telkens door een grote veelheid aan processen en organen tot zijn komt. Het organisme heeft dus inherent een spanning, het staat tegenover zichzelf en gaat aan zichzelf voorbij op een bepaalde manier.

Het is mijn voornemen deze spanning volgende maand verder te verkennen, om te tonen hoe dit in conflict kan komen met het ecologische denken. Voor nu: geniet van jullie zondagskoffie en het wonder van de onzichtbare substantie.

Bron

Plessner, Helmuth, 1965. Die Stufen des Organischen und der Mensch. Berlijn: Walter de Gruyter & Co.

 

Advertenties

2 gedachtes over “Helmuth Plessner: Dingen Dubbel Zien

  1. […] Vorige maand besprak ik het idee van Helmuth Plessner dat dingen nooit uitputtend gegeven zijn in hoe zij waargenomen kunnen worden. Er ligt ten grondslag aan deze waarnemingen altijd zoiets als een substantie of een idee van eenheid (en dit is zelf niet direct waarneembaar). Deze maand bespreek ik Plessners idee van het organische, dat voortbouwt op dit idee. In mijn vorige post noemde ik dit al kort, maar wat ik verfrissend aan Plessner vind is zijn visie op de wereld, waarin enerzijds empirische wetenschap een belangrijke rol heeft, terwijl ze tegelijkertijd nooit uitputtend de aard der dingen zal kunnen beschrijven. Er blijft een belangrijke rol voor, onder andere, filosofen om de concepten waarmee de wereld geduid wordt te bevragen en verder te ontwikkelen. […]

    Like

  2. […] Een deel is wat het is, omdat het deel is van een geheel. Dat betekent dat het deel in zekere zin incompleet is. Dit bloemblaadje is een blaadje van het geheel dat de bloem is. Maar tegelijkertijd, en dit is […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s