Plessner II: Het Dubbelleven van het Organisme

Vorige maand besprak ik het idee van Helmuth Plessner dat dingen nooit uitputtend gegeven zijn in hoe zij waargenomen kunnen worden. Er ligt ten grondslag aan deze waarnemingen altijd zoiets als een substantie of een idee van eenheid (en dit is zelf niet direct waarneembaar). Deze maand bespreek ik Plessners idee van het organische, dat voortbouwt op dit idee. In mijn vorige post noemde ik dit al kort, maar wat ik verfrissend aan Plessner vind is zijn visie op de wereld, waarin enerzijds empirische wetenschap een belangrijke rol heeft, terwijl ze tegelijkertijd nooit uitputtend de aard der dingen zal kunnen beschrijven. Er blijft een belangrijke rol voor, onder andere, filosofen om de concepten waarmee de wereld geduid wordt te bevragen en verder te ontwikkelen.

De aard van Plessners denken werkt ook in het hedendaagse debat nog voort. Met name via de stroming van het objectgeoriënteerde denken, zoals die onder andere door Timothy Morton (2013) ontwikkeld is. Het idee is hier dat dingen echt bestaan, een eigenheid hebben die onafhankelijk van de menselijke psyche bestaat. Je moet misschien een filosoof zijn om dit een opzienbarende conclusie te vinden. Ik ga hier nu niet verder op in, maar ik ben van plan in de komende maanden enkele inzichten van het objectgeoriënteerde denken te delen, omdat deze stroming van groot belang is voor onze oriëntatie op het Antropoceen. Beschouw deze uitspraak gerust als een cliffhanger.

In deze post bespreek Plessners visie op het organische, op het leven.

  1. Het organische verhoudt zich tegenover zijn eigen grens

Dingen houden op bij hun grens. Dit kopje is een afgebakend geheel, het staat op de tafel, maar vloeit niet over in de tafel. Het houdt op waar de tafel begint. Tussen tafel en kopje is duidelijke grens te ontwaren. Behoort de grens tot het ding? Tot het kopje, tot de tafel? Kijk eens naar je omgeving, bijvoorbeeld het scherm waarop je dit leest. Waar eindigt het scherm? En behoort deze rand van het fenomeen nog wel of niet tot het fenomeen?

De grens is voor inorganische dingen ambigue. Het is een lege ruimte, waar het ene begint en het andere ophoudt. De grens behoort dus tot geen van beide aangrenzende dingen, maar is slechts de overgang van het ene tot het andere. De grens tussen tafel en kopje is een tussenruimte, die dus niet werkelijk tot één van beide behoort: wat het kopje tot kopje maakt is niet zijn grens, maar wat binnen deze grenzen bestaat (Plessner, 1965, 103).

Voor het organische, oftewel, het levende is de grens echter een onderdeel. Laat dit even op je inwerken, want het is nogal wat. Het levende ding gaat door waar het ophoudt. Oftewel, het levende ding begrenst zichzelf. De grens is niet gegeven, geponeerd door de omgeving, maar het organische organiseert zichzelf en verhoudt zich daarom ook tegenover de grens die het zichzelf oplegt (103-104). Je zou ook kunnen zeggen dat alles wat leeft een zekere naar-buiten-gerichtheid kent, die dode dingen niet gegeven is. Alles wat leeft, richt zich op zijn omgeving. Hierin zien we al geïllustreerd dat het leven niet, zoals dingen, zich binnen zijn grenzen houdt, maar dat het altijd op de wereld buiten zich gericht is. Doordat het levende niet ophoudt bij zijn grens, kan het over deze grens heen stappen.

  1. Het leven is niet, maar wordt

Deze verhouding tegenover zichzelf moet nader bekeken worden. Wat verhoudt zich precies tegenover wat? Ik heb vorige maand besproken dat (ook inorganische) dingen volgens Plessner een ‘kern’ hebben, een substantie, die onzichtbaar is en een zichtbare manifestatie van deze kern. Een dood ding bindt de verscheidenheid aan mogelijkheden waarop het kan worden waargenomen tot een eenheid – en daarmee houdt het op (128). De manifestaties vallen binnen bepaalde grenzen, er is behalve deze dubbelheid geen complexere verhouding tussen kern en waarneembare eigenschappen. Bij het levende is dit anders. Het leven verhoudt zich tegenover zichzelf.

“Die Grenze gehört dem Körper selbst an, der Körper ist die Grenze seiner selbst” (127)

De kern van het levende wordt daardoor nooit uitgedrukt door hoe het waargenomen kan worden. Bij het niet-levende ding wijst het zichtbare op een kern die de veelheid aan waarneming samenbrengt. Bij het levende wijst het zichtbare als het ware twee kanten uit. Enerzijds terug naar een kern van eenheid, maar tegelijkertijd weg van deze eenheid – precies omdat de grens ook nog deel is van het levende fenomeen (128-129). Een levend wezen moet zich voeden, moet zich beschermen, moet groeien: het tuimelt als het ware telkens over de grens van zijn lichaam de wereld in.

Een organisme is één ding. Maar het verwezenlijkt zich via een veelheid van organen. Deze organen zijn echter niet los van elkaar te bezien, maar produceren gezamenlijk telkens opnieuw het geheel van het organisme. Een organisme is deze spanning tussen eenheid en veelheid. Het is een eenheid, maar een eenheid die slechts door veelheid verwezenlijkt kan worden. Het is een veelheid, maar een veelheid die een eenheid voortbrengt. Een organisme bestaat op zichzelf, maar komt slechts tot wording door telkens opnieuw buiten zichzelf te treden.

Doordat het levende ding niet ophoudt bij zijn grenzen, doordat het organisme eigenlijk telkens aan zichzelf voorbij is, kunnen wij het levende wezen niet begrijpen als iets dat is. Het leven wordt. Het leven is een spanning tussen de eenheid (substantie) en de manifestatie als veelheid (organen), die een wederzijdse relatie nodig hebben. Het organisme treedt buiten zichzelf, om tot zichzelf terug te keren. Het organisme stapt aan zichzelf voorbij, om in de pas te lopen met zichzelf. De vorm die het organisme is, de vorm die de eigen grens omklemt, vergt dat het opgaat in een eindeloze productie van zichzelf – een productie die telkens haar eenheid een stap vooruit is.

  1. De Grenzen van Empirisme

Dit eindeloze proces is daarom niet iets wat het levende overkomt, maar een ontologische eigenschap van zichzelf. Zonder afstand tot zichzelf verdwijnt het levende ding als zodanig. Wanneer wij daarom volstaan met een enkel empirische blik op het leven, dan slaan wij de natuur dood en blikken in een hol klokwerk. Het is alsof wij om het leven te begrijpen, het zover uiteentrekken dat het verdampt in het licht van ons vorsen nog voordat wij haar wezen zouden kunnen doorblikken. Plessner keert zich niet tegen een empirische studie van het leven, maar onderstreept keer op keer dat zij niet op zichzelf kan volstaan. Een dooddoener, allicht, maar het leven wordt, tenslotte, geleefd. Blikken wij vanaf buiten op het levende, dan missen wij het inzicht dat het leven altijd het leven van iets of iemand is Want daar waar leven is, is zelf-organisatie. En wat zichzelf organiseert, meet altijd een zekere afstand ten opzichte van zichzelf aan. Als wij enkel de afdruk van deze organisatie nemen, dan missen we dit meest wezenlijke aspect aan het leven.

Hiermee komt mijn korte besprekingen van enkele inzichten van Plessner ten einde. Zijn hoofdwerk Die Stufen des Organischen und der Mensch (1965) is een prachtig werk dat fenomenologie, biologie en ontologie combineert. Het anti-reductionische aspect, Plessners argument dat dingen nooit geheel samenvallen met hoe zij verschijnen, kan als scherpe herinnering dienen aan de grenzen van het menselijke kunnen. De wereld, het levende, behoudt een trotse overmacht, een eigenheid die te bewonderen valt.

Bronnen

Morton, Timothy, 2013. Hyperobjects: Philosophy and Ecology after the End of the World. Minneapolis, London: University of Minnesota Press.

Plessner, Helmuth, 1965. Die Stufen des Organischen und der Mensch. Berlijn: Walter de Gruyter & Co.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s