Naar de dingen zelf! Bordewijk en Morton

Bordewijk Boris van Meurs De KLos Filosofie

“… de onttroning van het levende ten koste van wat wij de dode stof noemen, ten koste van het ‘ding’. “

– Ferdinand Bordewijk (Kamp, 2016, 334)

De stad en de dingen

Bordewijk heeft mijn geest in zijn ban, zoals iedereen zal kunnen vertellen die mij de laatste tijd gesproken heeft. Ik dwaal rond over de woestenij die zich tussen zijn korte verhalen eindeloos uitstrekt, verlies mijzelf in Bordewijks fantastische observaties zonder duidelijke paden en uitgang. De schrijver is vooral bekend wegens zijn roman Karakter (1938) en novelles als Bint (1934) en Blokken (1931). Met deze bekende werken begon ook mijn interesse voor Bordewijk. Recentelijk kwam ik een opmerkelijke parallel tegen tussen Bordewijk en de hedendaagse filosoof Timothy Morton, die beide over het wezen van de stad schrijven. Beide laten zien dat niet de mens, maar vooral de voorwerpen en dingen de dienst uitmaken op aarde. Juist deze teksten over de stad laten vreemd genoeg zien dat Bordewijk een ecologisch schrijver is. In de komende twee blogpost onderzoek ik de parallel en wil ik laten zien waarom ik denk dat Bordewijk nieuwe aandacht verdient als een ecologisch schrijver.

Bordewijk: Schrijver en Stijl

Het schrijven van Bordewijk laat zich kenmerken door een spanning tussen twee elementen. Enerzijds een nuchtere zakelijkheid, een proza van korte zinnen, staccato. Anderzijds een fascinatie voor het fantastische, het nog net mogelijke, het onbegrijpelijke – Bordewijk zelf noemt dit het romantische in zijn werk. Zo beschrijft hij karakters levendig, op de grens van monsterlijke: “Een bijzonder stil meisje, maar met de verschrikkelijkste ogen. Diepe brandende putten vol pikzwart vuur” (Bordewijk, 1950, p. 107). Collega schrijver Simon Vestdijk beschrijft deze spanning in de stijl van Bordewijk als ‘een overwoekerende en tegelijkertijd aan banden gelegde taalfantasie‘ (Kamp, 2016, p. 146).

Bordewijk zelf geeft in het citaat hierboven aan dat hij vindt dat een focus van literatuur op het ‘levende’ ten koste is gegaan van het ‘levenloze’ dat al te snel als dood en oninteressant aan de kant wordt geschoven. Hoewel Bordewijk dus erg zakelijk schrijft, merk je in zijn werk op dat hij niet gelooft dat de voorwerpen om ons heen slechts een bijrol spelen. Het is vaak het materiële in de wereld dat onverwachts op het toneel verschijnt. In een kort verhaal wordt een man gered van een dood in een ravijn, doordat zijn kapsel vastvriest aan de rotsen. In een ander verhaal slaat een oude klok telkens precies als de hoofdpersoon binnenkomt. Voorwerpen en mensen versmelten soms zelfs, zoals in een verhaal over een misvormd kereltje dat als een viool blijkt te kunnen functioneren. Bordewijk kijkt helder, maar ziet hierdoor dwars door het verhaal heen dat de mensen en de dingen tegenover elkaar plaatst.

De Passage

Ik zou graag een rondleiding geven door het landschap aan gedachten en thema’s dat Bordewijk in de spanning tussen realisme en fantasie geconstrueerd heeft, maar deze post gaat slechts over één aspect van een verhaal dat in het algemeen weinig aandacht heeft gekregen. Ik heb het over het verhaal Passage: een architectuur uit mijn favoriete bundel De Wingerdrank (1950). Hierin volgt de lezer een handelsman, Van Rena genaamd, die moet overnachten in de overdekte winkelgalerij de Passage te Den Haag. Eenmaal in deze opmerkelijke galerij, badend in kunstlicht, raakt hij geobsedeerd van het idee op een van de zolderkamertjes bovenin te overnachten. Het liefste op een klein, wanstaltig zoldertje: “Hij wilde uit zo een zoldervenster kijken, vlak onder de koof. Hij wilde zich laten omlijsten door de grofste wansmaak van bouwersinpiratie” (1950, 97). De reden hiervoor blijft onduidelijk, zoals alles in Bordewijk een bijsmaak van onverklaarbaarheid heeft.

Van Rena laat op weg naar de Passage zijn gedachten gaan over de wereld van steen die de stad is. Hij stopt en kijkt rond, verwondert zich. De stad sterkt zich uit. De mensen razen voorbij. Een vraag komt in hem op. Is de mens wel de baas in de stad? Of is het geheel van de stad iets dat voorbij de menselijke wil ontstaan?

Ecologie

Het is misschien vreemd om in deze context van beton en glas het over ecologie te hebben. Bij ecologie denken we eerder aan grote natuurparken, wildernis, dieren. Toch was ecologie het woord waaraan ik dacht toen ik het stuk van Bordewijk over de stad voor de eerste keer las. Dit komt omdat ik via Timothy Morton op een andere manier over ecologie ben gaan nadenken. Ecologie betekent namelijk kijken naar hoe dingen met elkaar samenhangen. In een ecosysteem staat niets los van de invloed van andere dingen in dat ecosysteem. Het water van de rivier voedt de planten, de vruchten van de planten worden opgegeten door de vogels, die het weer uitpoepen elders, etc.. Meestal blijft het ecosysteem dat bekeken wordt beperkt tot het doen van de dieren en de planten. Jammer, alleen, dat dit helemaal niet kan. Passen we de ecologische manier van kijken toe op aarde, dan zullen we moeten toegeven dat de stroom van de rivier die de planten voedt beïnvloed is door de dam, die gebouwd is doordat de mensen daar stroom nodig hadden, die gebouwd is uit beton, waarvan de productie veel CO2 uitstoot, wat het klimaat doet veranderen, wat merkbaar is tot in de diepste wildernis, etc.. Je kunt eeuwig blijven doorgaan, volgens Morton. Het systeem kent geen einde. Het systeem kent geen begin.

Ecologie, dat betekent daarom kijken naar de aarde zonder onderscheid te maken tussen mensen en niet-mensen. In de ecologie van de aarde is alles verbonden, van Yellow Stone Park tot nucleair afval, van grote industrie tot het diepste van de oceaan. Dit is geen prettig besef. Wij delen de aarde met miljarden niet-menselijke voorwerpen, wezens, dingen. En er is uit deze situatie geen ontsnappen mogelijk: alles hangt met elkaar samen.

Ecologie in De Passage

Ik moest dus aan ecologie denken, omdat Bordewijk precies deze manier van kijken ontwikkelt in het verhaal over de Passage. Een wereld van beton en glas, misschien, maar juist in deze wereld kan de mens ontdekken dat hij niet overal aan de knoppen staat. Dat hij ook maar deel is van een groter systeem waarover hij het overzicht al heel gauw verliest. “Niet alleen de meest grootse, ook de merkwaardigste schepping van de mens, dacht [Van Rena], is de stad. Hij bedoelt slechts gebouwen te scheppen, hoogstens straten, hoogstens wijken. Zijn uitbreidingsplannen zijn altijd partieel.” (1950, 94). De stad is een geheel aan straten en wijken, die hun eigen dynamiek en ritme kennen. Maar de stad wordt zo niet in één keer ontworpen, langzaam ontstaat zij, telkens in delen, nooit als geheel. De mens breidt de stad uit en “er ontstaat iets waaraan hij nauwelijks deel heeft. Hij heeft deel aan de huizen, niet aan de stad. Uit de stenen en de mortel van de mens ontstaat iets buiten zijn wil” (94).

De ontdekking die het karakter Van Rena hier doet is niet eenvoudig. Hij begint in te zien dat zelfs in het hart van de cultuur, wat normaal toch gezien wordt als het gebied waar de mens vrij is, dat zelfs daar de mens niet de macht heeft over zijn eigen creaties. De mens leeft samen met de stad, niet als heer en meester, maar misschien bijna wel als gelijken. Dat is ecologie, omdat de dingen waaruit de stad bestaat (de gebouwen, het steen, de lantaarns) samen hangen met het handelen van de mensen, zonder als dode objecten alleen maar te gehoorzamen. De schepping van de stad is een geboorte. En net zoals een kind iemand anders is dan de moeder, zo blijft de stad iets anders dan de plannen waaruit zij ontstaat. Mensen leven als het ware samen met de stad. “Uit de stenen en de mortel van de mens ontstaat iets buiten zijn wil. Zo ontstaat buiten de wil van de moeder het kind uit haar bloed en haar vlees. En niet minder hecht dan de band des bloeds is de band van het steen. Men houdt ook van een stuurs kind en van een barse stad” (1950, 94).

Bordewijk en Ecologie

Bordewijk toont zich gevoelig voor de tragiek van dit inzicht. Zelf doolde hij graag door de steden waar hij woonde, waarbij hij zijn hunkering naar het fantastische stilde door te dwalen in de achterbuurten. De verhalen Huissens en Keizerrijk uit De Wingerdrank (1950) gaan over zulke tochten, waar de marges van de steden de onmacht tonen van de mens om controle te krijgen over het geheel. Armoede woekert daar ongezien en met haar komt alles wat zich buiten het calculerende denken begeeft – de schimmen, de angst, het duister. Dit verlies aan controle, waarin de levendigheid van de stad zelf zichtbaar wordt, laat de stad pas écht stad zijn. Als een ding dat de menselijke controle ontsnapt. Want als de stad wél getemd wordt, dan sterft er iets. In Keizerrijk (1950) schrijft Bordewijk: “Plat en tot alle horizonnen met het nietig opstaan van huisjes een bloemhof van vaal verdoemd steen, bruin en grijs, traag zacht wegkruimelend, waarin de laatste episode der westerse volksgemeenschap verklonk. Een dodenakker bij leven” (1950, 92). De stad slaat dood als de macht over de delen volkomen is. Het geheel kan niet berekend worden.

Samenvatting

Bordewijk verkent in het verhaal over de Passage een ecologisch manier van kijken naar de wereld. Dit betekent een visie op de wereld als een samenhang aan dingen, waarin mensen niet het centrum vormen. Dat zelfs de stad, het epicentrum van cultuur, ecologisch begrepen kan worden, laat zien hoe ver de gevolgen van het ecologische denken kunnen zijn. Zo stimuleert Bordewijk ons na te denken over de verhoudingen die wij hebben ten opzichte van de instrumenten die wij gebruiken, de technieken waarmee wij als mensen telkens opnieuw proberen de wereld te veroveren. Als wij als mensen niet buiten de wereld zweven, maar op de aarde leven, dan zullen we moeten accepteren dat zelfs deze technieken buiten onze macht kunnen vallen. Bordewijk zet zo eerste stappen richting een schrijven dat ons helpt om een wereld te begrijpen die wij niet beheersen, maar een wereld waarin wij tussen de andere voorwerpen bestaan. Een wereld die wij delen met planten, dieren, micro-organismes, maar ook steden, apparaten, techniek.

Volgende maand bespreek ik hoe Timothy Morton over de stad denkt. We hebben gezien hoe ik hier een interpretatie gaf vanuit waar Bordewijk ecologisch gelezen kan worden. De beperkte controle van de mens over het geheel was een belangrijk thema. Voor Morton is de spanning tussen het geheel en de delen met name belangrijk, waarin hij, sterker dan Bordewijk, de zwakte van het geheel wil laten zien.

 

Geciteerde Bronnen

Bordewijk, Ferdinand (1950). De Wingerdrank. Rotterdam / Den Haag: Nijgh & Van Ditmar.

Kamp, Elly (2016). Ferdinand & Johanna. Amsterdam: Bas Lubberhuizen.

Advertenties

2 gedachtes over “Naar de dingen zelf! Bordewijk en Morton

  1. Past mooi bij het in april verschenen boek van Viktor Hachmang, een grafische versie van de roman Blokken.

    Like

  2. […] zich. En wij zullen moeten reageren, willen wij niet dat ons thuis verwoest wordt tot een “dodenakker bij leven” (Bordewijk, 1950, […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s