In de schaduw van de catastrofe – Peter Sloterdijks Eurotaoïsme

Wie niet het gevoel heeft dat de wereld vergaat, houdt zich verscholen onder een steen, weert zich tegen de zure regen aan nieuwsberichten die stort uit een met wanhoop geïnfecteerde media, verbergt zich in een kogelvrij vest aan onverschilligheid. In deze tijd van algehele suspensie, waarin plots de mogelijkheid – waarschijnlijkheid – zich meldt van het einde van alles wat wij kennen, is paniek geen massapsychologische escalatie, maar de meest basale relatie van de mens tot de dingen om hem heen. Met deze thesen opent Peter Sloterdijk in zijn boek Eurotaoismus (1989) een diepgravend onderzoek naar het hedendaagse bewustzijn dat zichzelf vormgeeft in het licht van de naderende catastrofe, van het besef van een intredende (voortijdige) interruptie van het project van de moderniteit. Dit besef wakkert een rusteloosheid aan, het bewustzijn ziet zich geconfronteerd met het verlies van controle over de bewegingen die het in gang zette in het verleden. Alles moet anders! Dit kan zo niet langer! Sloterdijk volgt het panische bewustzijn en haar vlucht tot alternatieve bewegingen aan de tand. Hij toont meesterlijk hoe deze paniek als een obsessie met het catastrofale doorwerkt tot in de poriën van de bewegingen die van een andere wereld dromen.  

Er is door de mens natuurlijk altijd gedroomd over betere werelden, over een ontsnapping uit het vleselijke, soms vreselijke bestaan tussen de dingen. Wat de panische alternatieven markeert is hun bezetenheid door het catastrofale. De Apocalyps is niet langer iets dat de mens overkomt, maar waar de mens bij aanwezig is, dat zelfs door de mens veroorzaakt wordt. Een panische cultuur neemt daarmee een didactische houding aan ten opzichte van de catastrofe: wat kunnen wij leren van ons naderende einde? En: als ‘wijzelf’ dit veroorzaken, kunnen wij dan niet op ‘betere’ manieren bewegen? Sloterdijk is sceptisch: de verschrikkingen van de 20e eeuw volgden uit de pogingen van het bewustzijn het bewegen op aarde te controleren en te manipuleren – met als paradoxaal gevolg het verlies van controle. Denk aan klimaatverandering, maar ook aan utopische dystopieën als het communisme in de Sovjet-Unie.   

Dit artikel schrijf ik om een vanzelfsprekendheid onder natuurliefhebbers, bezorgde burgers en misantropen aan het licht te brengen: de relatie tot de catastrofe. Welke rol speelt de catastrofe in het denken van dromers en alternatieven? Waarin is dit anders dan de oudchristelijke Apocalyps? En ook: ontsnappen de alternatieve bewegingen aan de moderniteit die zij zo gemakkelijk vervloeken? 

Panische Cultuur 

De Apocalyps is geen zaak meer van profeten, van zonderlingen, van waanzinnigen. Zij meldt zich via dezelfde kanalen vanuit waar wij de sportuitslagen ontvangen, waar wij horen of het morgen gaat regenen of niet. “Das Katastrophische ist eine Kategorie geworden, die nicht mehr zur Vision, sondern zur Wahrnehmung gehört” (103). Het catastrofale penetreert het alledaagse.  

Dit vertelt ons over het moderne cultuurbegrip (104 – 105). Was de Apocalyps eerst de complete opheffing van het culturele, zo probeert cultuur nu in het reine te komen met de mogelijkheid van haar eigen einde. En niet alleen dat. “Die Moderne […] will Gegenwart ohne Tränen” (105). Het moderne project wil in volledige controle zijn over het werkelijke – enkel dat wat zich bloot kan geven in het Westerse denklicht wordt niet weglachen. Nu staat ons denken echter in de ongemakkelijke positie dat het zichzelf verziekt heeft, dat de eigen almacht in het eigen gezicht dreigt te ontploffen. De alternatieven proberen een cultuur te scheppen die nog controle kan nemen over deze dreiging – opdat de cultuur nog kan leren van de catastrofe. Sloterdijk vraagt daarom: “Braucht somit die Alternativkultur die Katastrophe?” (105) Er ligt hier een wens voor een ander soort moderniteit, een ander soort controle over het werkelijke. De mogelijkheid van de catastrofe dient als leerweg van de mens naar een andere toekomst. In deze zin is de panische cultuur vergezeld van een “catastrofendidactiek”, die ingezet wordt om de noodzaak tot een nieuwe orde van controle te illustreren. Maar was deze zucht naar totale controle niet precies het probleem? 

Sloterdijk schetst vier risico’s van catastrofen-didactiek. Allereerst is het onduidelijk hoe groot de catastrofe moet zijn voordat de mens eindelijk lering trekt. Hiervoor bestaat geen kwantitatieve maat (111) – de mens heeft historisch een groot vermogen getoond om immuun te blijven tegenover het bewijs van de catastrofe. Wir haben es nicht gewusstZo gauw als het een cultuur lukt om het catastrofale te normaliseren, verdwijnt de openheid, de definitieve suspensie van alles, waarop de alternatieven hopen. Hoeveel ijsschotsen moeten afbreken en smelten in de zee, hoeveel diersoorten uitsterven, hoeveel permafrost ontdooien voordat de mensheid eindelijk verenigd als één de stand van zaken verwerpt en verandert? Om de wereld haar lesje te leren zal er altijd meer moeten gebeuren (113 – 115). In deze zin is het leunen op het catastrofale een perverse zucht naar alsmaar grotere catastrofes.  

Ten tweede is het de vraag hoe de mensheid gaat leren van haar catastrofen. Er wordt gehoopt op een moment waarop men inziet dat dit zo langer niet meer gaat. Door schade leert men. Maar wie is dit men? Wie is deze mensheid? Zij is geen soort, geen overkoepelend Subject dat alles wat gebeurt in een globaal leerproces verwerkt. Zij is een hoeveelheid aan enkele wezens en kan als zodanig niet leren van de schade die ze ondervindt: “Das Aggregat, das wir Menschheit nennen, hat keinen eigenen Leib, an dem es etwas lernen könnte, wohl aber einen fremden Leib, ihren Wohnort, die Erde, die nicht klug wird, sondern sich in eine Wüste verwandelt” (117).  

Ten derde is de catastrofe zelf ‘subjectloos’ (117). In het catastrofale is er geen enkele schuldige aan te wijzen. Niemand zit achter de knoppen van de escalatie. Hoe graag men ook ‘de’ bankiers, ‘de’ oliemaatschappijen, ‘de’ kapitalisten voor de rechtbank van de aarde zou roepen, wij mensen zijn zelf opgenomen in de processen die tot de catastrofen leidden. Ieder die auto rijdt, plastic gebruikt, vliegt of eten in de supermarkt koopt is deel van de weg naar de catastrofe. De catastrofe is in deze zin van niemand specifiek. Er is niemand om te leren van zijn gemaakte fouten.  

Ten vierde heerst er volgens Sloterdijk een verwarring over de waarheid die catastrofe aan het licht kan brengen. Waarheid is volgens Sloterdijk voor ons nog altijd het aan-het-licht-brengen van de dingen. Op een vreemde manier is echter de catastrofe zelf het uiterste van dit discours. Het licht van de atoombom is niet de openbaring van ware aard der dingen, maar hun uiteindelijke verdwijnen, “Verschwinden der Dinge im Lichtsturm” (122). De totale doorlichting van de wereld is haar opheffing. Willen de alternatieven de catastrofe inzetten voor het belichten van wat er mis is met de wereld, dan stelt Sloterdijk dat zij in een waarheid geloven waarvan de atoombom de extreme verwezenlijking is.  

Misschien is het tijd om naar een ander waarheidsbegrip te zoeken. Misschien is het tijd om de arrogantie van de Verlichting achter ons te laten en te erkennen dat niet alles dat gebeurt binnen menselijke controle kan vallen. Misschien is het tijd voor een zekere gelatenheid en laten-zijn van de dingen. “Erst die durchlebte Panik befreit von den diaktischen Illusionen – sie ist die Brücke zu einem Bewußtsein, das sich auch von der Katastrophe nichts mehr erhofft, schon gar keine zivilisationskritischen Offenbarungen” (124). De paniek moet ons niet in val lokken en ons de fouten doen herhalen van onze voorouders. Mensen zijn geen heren en meesters over het gebeuren in de natuur – het gebeuren, dat is ons nog altijd gegeven.  

Wat kunnen wij hiervan leren? 

Het is zinloos te wachten op het einde der tijden. Voor deze conclusie hoeft men geen filosofie gelezen te hebben. Waarbij Sloterdijk echter helpt, is het onthullen van de obsessie met de Apocalyps, die als een didactische roede ligt in de handen van de zelfopgeworpen leermeesters van de mensheid. Wij zullen niets leren van de catastrofe. Zij is geen einde aan onze paniek. Te gauw levert het bewustzijn van de catastrofe argumenten voor een nieuwsoortig fascisme: de onderwerping van de mensheid aan het duurzame systeem. Een gecentraliseerde organisatie om op nog grotere schaal de bewegingen op de wereld te sturen. Als deze tijd van catastrofes aantoont dat onze bewegingen buiten onze macht zijn geraakt, dan is het maar de vraag wat deze nieuwe organisatiedrift gaat bewerkstelligen.  

Sloterdijk pleit daarom voor een gelatenheid tegenover de wereld. In plaats van verdere mobilisering van mensen, grootschalige veranderingen, suggereert hij een speelsheid, een bescheidenheid ten opzichte van het werkelijke. Zij ontsnapt ons telkens als we haar benaderen. We moeten dus niet proberen de werkelijkheid te vangen, maar haar grilligheid te omarmen. Ruimte te bieden voor het spontane, het onverwachte. De aarde is dan niet langer het toneel waarop het spel van de mensheid zich afspeelt, maar het toneel treedt zelf naar de voorgrond. De Natuur is tot veel meer in staat dan wij denken kunnen. Maar zijn wij in staat dat te laten zijn wat wij niet kunnen begrijpen?  

 

 

 

 

 

Advertenties

Kapitaal in de 21e eeuw

Kapitaal in de 21e eeuw (2014) is het spraakmakende boek van econoom Thomas Piketty: hierin analyseert hij de geschiedenis en ontwikkeling van financiële ongelijkheid. Hier wil ik (heel) kort zijn boodschap samenvatten, bepleiten waarom het loont om (delen) van het boek zelf te lezen en enkele kritiekpunten behandelen. 

Piketty heropent het debat over de verdeling van welvaart, precies doordat hij deze vraag niet primair als een ideologische benadert. In plaats van de feiten al te veel te voegen naar zijn overtuiging, behandelt hij met het geduld van een wetenschapper de economische stand van zaken in de afgelopen eeuwen. Wat te prijzen valt aan zijn open benadering is dat hij aangeeft hoe en waarom bepaalde statistieken een vertekend beeld kunnen geven van wat er aan de hand is. Een voorbeeld hiervan is dat ongelijkheid meestal werd uitgedrukt in één enkel cijfer (bijvoorbeeld de Gini-coëfficiënt). Piketty geeft aan dat dit weinig informatief is: je weet dan nog niet hoeveel procent van het nationaal product in handen is van bijvoorbeeld de rijkste 1, 10 of 15 procent. Piketty gebruikt dus bewust wel meerdere indicatoren, omdat deze veel complexere veranderingen aan het licht kunnen brengen.

Een boek van ongeveer zevenhonderd pagina’s kan ik niet samenvatten in één blogpost. Daarom zal ik slechts een zeer ruwe schets geven van de bevindingen van Piketty. Ten eerste: kapitalisme bevat tendensen die, mits zij niet door overheden gecorrigeerd worden, tot extreme ongelijkheid leiden. De belangrijkste ‘wet’ voor de toenemende ongelijkheid die Piketty formuleert is ‘r > g’. Dit betekent dat als het rendement over kapitaal groter is dan de groei van een economie, het aandeel van reeds verkregen kapitaal een grotere rol gaat spelen. Als je bijvoorbeeld al veel onroerend goed bezit, waarover je een flinke huur betaald krijgt, en de economie groeit nog maar langzaam, dan zal je relatief steeds rijker worden ten opzichte van mensen die hun geld voornamelijk uit arbeid moeten verdienen. Piketty toont door analyses van dit soort krachten dat het geloof in de vrije markt niet op de feiten stoelt – en dat enige vorm van overheidsingrijpen essentieel is.

Ten tweede: de verdeling van vermogen is meer ongelijk dan die van arbeid. In de VS ontvingen in 2010 de rijkste 10% ongeveer 35% van het totale inkomen uit arbeid, terwijl de armste 50% het met 25% van het geheel moesten doen. Dit is al een zeer sterke ongelijkheid (tenslotte zijn de armste 50% met vijf keer zoveel mensen als de rijkste 10 %: echter hebben zij allemaal samen nog steeds 10% minder deel aan het inkomen uit arbeid). De vermogensongelijkheid (ongelijkheid in bezit) is echter nog schrijnender verdeeld: de rijkste 10% bezaten in 2010 in de VS ongeveer 70% van het totale vermogen. Vergelijk dit met de armste 50%, die slechts 5% bezit (pagina’s 295 – 296). Wie deze verschillen theoretisch wil rechtvaardigen, moet (ironisch) van zeer goede huize komen. Vergaard vermogen zal een steeds belangrijkere rol gaan spelen, nu de groei van de Europese economie aan het matigen is.

Ten derde wil ik Piketty’s suggestie voor een oplossing kort bespreken. Ik heb hier veel van zijn analysen moeten overslaan, bijvoorbeeld over de verschillen tussen de VS en Europa (die helaas kleiner zijn dan we hopen), over de foutieve analyses van vorige economen, over het vertekenen van de data door bureaus van statistiek, etcetera. Piketty’s suggestie is volgende: een (het liefst globale) progressieve vermogensbelasting. Wat houdt dit in?

‘Progressief’ betekent hier dat hoe meer vermogen je bezit, hoe meer belasting je relatief moet betalen. Ter illustratie, stel dat mensen met vermogens onder de 100.000 betalen 5% belasting over hun vermogen, terwijl de mensen met vermogens boven de 100.000 10% gaan betalen. Dit stelsel heeft, volgens Piketty, enkele gunstige effecten. Ten eerste is het een negatieve stimulus om gigantische hoeveelheden vermogen te verzamelen, want dan moet je steeds meer belasting betalen hierover. Ten tweede motiveert het om vermogen in beweging te zetten en niet op te potten, waardoor het de economie een  nieuwe stimulus zou geven. Ook helpt de Europese staatsschulden aan te pakken, want hoewel de staten diep in het rood staan, zijn de privévermogens van Europa nog steeds erg groot. Ten vierde interfereert het niet wezenlijk met principes van de vrije markt en zal het juist eerder eerlijke concurrentie bevorderen. Dit komt doordat het reeds vergaarde vermogen een minder belangrijke rol gaat spelen, dan het in beweging zetten van geld en het creeëren van nieuwe kansen en mogelijkheden.

Dit was, heel in het kort, wat Piketty in zijn boek bespreekt. Ik raad je aan om het boek zelf te lezen, omdat je zo een inzicht krijgt in de nuances die hijzelf in zijn theorie aanbrengt, in hoe het kapitaal zich vervormd heeft in de afgelopen eeuw en ook waarom vroegere economische theorieën geen stand meer kunnen houden. Mocht je geen tijd of zin hebben om je door zevenhonderd pagina’s economische jungle te worstelen, lees dan de inleiding, eventueel het tweede deel, het laatste deel en de conclusie. Mocht dat nog te veel zijn, lees dan de inleiding en de conclusie. Het loont zonder twijfel.

Mijn kritiek op het boek betreft niet Piketty’s data of zijn gevolgtrekkingen. Ik ben geen econoom en moet dit soort kritiek aan economen overlaten. Wat ik mis in het boek is een koppeling naar de sociaal-culturele werkelijkheid. Hoewel Piketty enkele pogingen doet zijn verhaal te koppelen aan ontwikkelingen in de literatuur, valt al snel op dat hij deze boeken met vrij weinig fantasie of creativiteit gelezen heeft. Piketty blijft te dicht bij enkel de economische statistiek, ondanks zijn pleidooi dat de economie nauwer moet samen werken met andere sociale wetenschappen. Sociologische aanvullingen op zijn betoog zouden verhelderend zijn geweest: hoe heeft de ongelijkheid maatschappelijke structuren veranderd? Misschien valt het Piketty niet te verwijten, aangezien hij een econoom is en geen filosoof of socioloog, maar omdat het onderwerp zó beladen is, hadden deze aanvullingen het boek ver voorbij het niveau van louter opheldering van feiten kunnen tillen.

Piketty vermijdt de ideologie en schiet slechts sporadisch uit zijn slof tegen andere economen. Dit siert hem en maakt Kapitaal in de 21e eeuw een goed vertrekpunt om vanuit te discussiëren. Echter, het is ook een illusie dat Piketty geen ideologisch doel had met dit boek – en ik denk dat hulp vanuit filosofie, sociologie en geschiedenis het boek tot een nieuwe ideologische leidraad had kunnen smeden. Wellicht is dit nu aan ons, de samenleving, om het boek te vertalen naar de wereld om ons heen. Wij moeten ontdekken hoe we de lessen van Piketty kunnen gebruiken om de wereld van morgen eerlijker te maken.