Pokémon Go – onteigening van de plaats

Pokemon-Go-1

Pokémon Go

Mij viel de magnitude van de Pokémon Go rage pas echt op toen ik in het normaal vrij stille Valkhofpark, te Nijmegen, plots  tientallen mensen over de schermen van hun smartphones zag zwiepen, in de hoop die felbegeerde monstertjes te vangen. Pokémon Go is een wonderlijk fenomeen, dat niet als louter een spelletje kan worden afgeschreven. De logica van het spel markeert een nieuwe fase in onze (technisch bemiddelde) relatie tot de ruimte. Eerder waarschuwde ik voor een virtueel-worden van het werkelijke, deze huidige post ligt in het verlengde van mijn argument daar. Pokémon Go toont dat techniek kan veranderen wat de betekenis van de ruimte is. Dit brengt uiteraard veel goeds met zich mee, maar er huist in de wijze waarop Pokémon Go de wereld ontbergt ook een gevaar. De soepelheid waarmee het de werkelijke bewegingen van de gebruikers manipuleert, leidt tot een promotie van consumentisme en passiviteit. In dit artikel zal ik deze these verhelderen door te benadrukken waarin ‘augmented reality‘ technieken, zoals Pokémon Go, verschillen van traditionelere cartografie. Continue Reading

Voorbij tolerantie

Ik pleit hier voor een hernieuwde vraag naar het wezen van tolerantie. Is dit begrip geschikt  voor de huidige problemen van Europa? Ik onderzoek deze vraag aan de hand van de discussie tussen Jürgen Habermas en Jacques Derrida.

Nieuwe vraaghorizon

We beleven rumoerige dagen waarin veel van het gereedschap dat ons hielp de wereld te begrijpen plots bot blijkt te zijn. Niet langer voldoen onze concepten, en misschien ook onze ethiek niet, om recht te doen aan de vragen die afgelopen jaar voor ons Europeanen opwierp. Ergens tussen humanisme en neoliberalisme worstelt Europa met het vluchtelingenvraagstuk, onderlinge solidariteit, internationale betrekkingen – en dit alles onder de gitzwarte horizon van een dreigend klimaatprobleem. Eerder betoogde ik al dat we opnieuw moeten leren vragen in plaats van de simpele voorhanden antwoorden te accepteren. Enkele weken na het schrijven van dit stuk ben ik hier nog sterker van overtuigd geraakt. We staan gezamenlijk voor de moeilijke taak om een nieuwe vraaghorizon te ontdekken, vanuit én voorbij aan het denken zoals dat ons bekend is.

In dit artikel wil ik een deel belichten van de tweestrijd tussen de Duitser Jürgen Habermas en de Franse filosoof Jacques Derrida. Deze tweestrijd is deel van de vraag naar de toekomst van Europa. Waar de eerste telkens poogt om het Europese Verlichtingsdenken om te smeden tot een hanteerbaar en verdedigbaar geheel in de 21e eeuw, heeft Derrida zich juist geconcentreerd op een genadeloze deconstructie van de concepten die ons uit de Verlichting zijn overdragen. Het verschil tussen deze twee benaderingen komt goed naar voren in het denken over tolerantie¸een begrip dat in onze multiculturele samenleving van ongekend belang is.

Derrida over tolerantie

Derrida linkt het begrip van tolerantie aan het christelijke denken, waardoor het niet zo’n neutraal begrip blijkt te zijn als dat het zich voor doet. In het moderne denken, bijvoorbeeld bij Spinoza, vinden we een verdediging van tolerantie vaak juist als onderdeel van een geseculariseerde redelijkheid. Het begrip zou juist voorbij zijn aan het christelijke. Derrida ontkent dit, doordat hij het begrip linkt aan liefdadigheid, in de christelijke zin. Tolerantie is dan een analogie voor het geven van de rijken aan de armen, oftewel een symptoom van een vrij sterke paternalistische relatie. Het probleem is daardoor dat tolerantie een éénzijdige en daardoor ook voorwaardelijke relatie is. De meerderheid bepaalt wie ze tolereert en onder welke voorwaarden. Wie getolereerd wordt, heeft daardoor het gevoel niet gelijkwaardig aan de tolererende partij te zijn. De vraag is daarom voor Derrida of tolerantie niet eigenlijk verhulde discriminatie is, die in werkelijkheid gelijkwaardigheid tegenwerkt.

Tegenover tolerantie plaats Derrida daarom zijn concept van onvoorwaardelijke gastvrijheid. “Pure en onvoorwaardelijke gastvrijheid, gastvrijheid zelf, opent of is bij voorbaat open voor iemand die noch verwacht, noch uitgenodigd is, voor wie er dan ook aankomt als een absoluut onbekende bezoeker, als een nieuwe aankomst, niet identificeerbaar en onvoorzienbaar, kortom, een volledige ander.” (eigen vertaling uit Borradori, 2003, p. 17) Gastvrijheid als onvoorwaardelijke openheid is voor Derrida het werkelijke ethische ideaal. In Derridas ethiek gaat het namelijk om de relatie met de Ander, die zichzelf volledig als Ander mag behouden. Dat wil zeggen, we zoeken geen gemeenschappelijke grond, maar respecteren elkaar juist daar waar we verschillen. Tolerantie zet stiekem de wet van de heersende meerderheid vooruit en ziet de acceptatie van iedere afwijking van deze wet als een liefdadigheid.

Habermas over tolerantie

Habermas erkent veel van Derridas zorgen over dit concept en wijst er ook op dat de heersende authoriteit een flinke vinger in de pap heeft bij de verwerkelijking van tolerantie. Zo is het aan deze authoriteit om aan te geven wat nog wel en niet getolereerd wordt. In Nederland is er continue discussie hierover: in hoe verre is aanpassing van de nieuwkomers gewenst? Aan wie is het om dit te beslissen?

Habermas verdedigt ondanks de wankele positie van tolerantie dit begrip toch. Dit komt omdat hij gelooft dat in een goed functionerende democratie de bewoners van dat een land zelf de authoriteit zijn, die mag beslissen over wat getolereerd dient te worden. Er is dan geen eenrichtingsverkeer in de tolerantie-relatie, want iedere inwoner van een land beslist mee over de vormgeving van deze norm. Tolerantie is deel van een steeds hervatte, vredige discussie. In een ideale democratie verdwijnt daarom de assymetrie uit het tolerantie-begrip (Borradori, 2003, p. 16). De vraag naar tolerantie is dan een vraag naar hoe we ervoor zorgen dat de democratie goed blijft functioneren.

Afweging

De les die ik trek uit deze discussie is dat tolerantie niet onze gewetens kan doen sussen. Onder een slapend goed geweten kan een ongekend geweld huizen. Ik waardeer daarom Derridas poging om het begrip te deconstrueren en opnieuw te bevragen. Voor het pure denken, of de filosofie pur sang, is zijn alternatief een interessante optie. Echter, bezien we de problemen van Europa praktisch, dan is het de vraag of er al ruimte is voor het begrip van onvoorwaardelijk gastvrijheid. De discussies van afgelopen maanden lijken aan te tonen dat er hier weinig voedingsbodem voor zal zijn. Ik denk dat het goed is om een ethisch ideaal voor ogen te hebben, maar dat we dit vooral moeten gebruiken om te onderzoeken waarom de gastvrijheid zo onpopulair is op het moment. Waar komen de angsten vandaan – hoe reëel zijn ze? Wat zegt dit over Europa en haar positie in de wereld? Wat beweegt de opstanden tegen AZCs?  Voor deze vragen is nu juist de democratische inslag van Habermas effectief: wanneer slaat communicatief handelen om in vreemdelingenhaat en angst? Hoe kunnen we de condities herstellen voor een goed functionerende democratie?

Lees verder:

Borradori, Giovanni [interviewer]. Philosophy in a time of terror: interviews with Jürgen Habermas and Jacques Derrida. Chicago: Chicago University Press. 2003.

De gevaarlijke speeltuin van Virtual Reality

Virtual Reality zal binnen zeer korte tijd een beschikbaar medium zijn. De positieve en adembenemende aspecten van de VR (Virtual Reality) zijn evident: het medium zal de meest intense kijkerservaring kunnen bieden. In dit korte essay beschrijf ik wat VR van de kijker vraagt en wat haar gevaren zijn. Mijn zorg betreft vooral een dubbele beweging, waarin de mogelijkheid steeds werkelijker wordt en het werkelijke zich als mogelijkheid te kennen geeft. Dit maakt het lastig om de schijnwereld van de VR af te wegen tegen de ‘echte’ wereld daarbuiten.

Op 18 februari zond Radio 1 een interview uit met Jip Samhoud, die binnenkort zijn Virtual Reality-bioscoop opent in Amsterdam. In het interview werd VR een revolutie genoemd: ik denk echter dat het deel is van een proces dat al langer aan de gang is. Dit proces, dat ik als tweeledig zie, zal ik hier beschrijven, omdat het van belang is te beseffen waarom VR enerzijds zo aantrekkelijk is als medium en anderzijds zo gevaarlijk. Ten eerste bestaat er zoiets als het werkelijk worden van het virtuele, ten tweede zoiets als het virtueel worden van het werkelijke. Deze tweeledige beweging is een uitdaging voor de kijker, die voor de taak staat een verdediging van het werkelijke als het niet-virtuele te ondernemen – ik zal dit hieronder uitleggen. Of VR nu een gewenste ontwikkeling is of niet: dit is niet langer onze vraag. VR gaat er komen, zeer snel al. We moeten daarom vragen naar hoe wij naar dit medium kunnen kijken, wat haar gevaren en mogelijkheden zijn. Dit essay is daartoe een aanzet.

Werkelijk worden van het virtuele

Het virtuele wordt in de filosofie gezien als het mogelijke, dat wat nog niet is, maar wel kan zijn. Hiertegenover staat actualiteit: dat wat werkelijk het geval is. “Virtuele realiteit”: dat is dus een “virtuele” of mogelijke “realiteit”. Hoe reëel is echter deze realiteit? Hoe actueel is zij? De virtuele realiteit biedt een apart soort mogelijkheid, in die zin dat ze niet louter speculeert over wat het geval zou kunnen zijn, maar ook een inkijk geeft in deze mogelijke stand van zaken. Ze biedt deze mogelijke wereld als een werkelijke aan. Zo wordt het voor mij mogelijk te beleven hoe de stand-van-zaken in een vluchtelingenopvang is. Hoewel we hier over een mogelijke werkelijkheid praten, dus iets ‘wat zo zou kunnen zijn’, beleef ik deze werkelijkheid wel (in grote mate) alsof zij er echt is. We zien dus dat het mogelijke zich aan het verwerkelijken is.

Dit gebeurt in iedere vorm van fictie. De hermeneut Paul Ricoeur merkte al op dat zelfs een tekst ons een mogelijke wereld kan bieden, waar wij andere manieren van zijn kunnen verkennen. Het unieke aan virtual reality is dat dit zich-verliezen-in een wereld geen activiteit van de geest van de kijker vereist, maar dat de wereld letterlijk aangeboden wordt. Je stapt een wereld binnen en kunt deze passief ontvangen. Zelfs bij film werd deze stap nog niet gemaakt: de afstand tussen jou en het scherm maken dat je nog iets van inspanning moet doen om in de film te komen. De vraag is bijvoorbeeld of je een virtuele werkelijkheid kunt betreden en ‘met een half oog’ door die wereld kunt dwalen. Ik denk dat virtuele werkelijkheid hierin van cinema tot nu toe verschilt.

De mogelijke wereld biedt zich als werkelijke aan. Niet als volledige werkelijkheid, want we weten dat onze mogelijkheden in deze virtuele wereld veel beperkter zijn dan in die wereld daarbuiten. Een volledige simulatie van het “werkelijk” werkelijke is niet mogelijk. Desondanks is VR wel een onderdeel van een beweging die hiernaar streeft. Het gevaar van VR is dan ook dat, omdat de verwezenlijking van de mogelijk niet zozeer bij de kijker ligt, de aangeboden wereld zonder meer geaccepteerd wordt. Het ontbreken van afstand tot de mogelijke wereld die aangeboden wordt (deze geeft zich meteen als een werkelijke te kennen), maakt het zeer moeilijk om afstand te bewaren om kritisch te reflecteren op de manier waarop deze mogelijkheid zich verwerkelijkt. Toch is de VR volledig geregisseerd, en daardoor een product van een bepaalde manier van denken door de regisseur en zijn team. De mogelijke wereld is niet zomaar een mogelijkheid, het is een mogelijkheid die regisseur vanwege bepaalde redenen wil laten zien. Als de kijker dit besef verliest, dan zou de VR een uitermate krachtige vorm van propaganda kunnen zijn.

Het virtueel worden van het werkelijke

Om die reden moet de kijker een houvast hebben om het virtuele tegen te kunnen toetsen: het “werkelijk” werkelijke, de non-virtuele realiteit. Hebben wij die zonder meer? Het grote gevaar – en dit kan niet overdreven worden – is dat de werkelijkheid zelf zich al steeds meer als het virtuele te kennen geeft. Hiermee bedoel ik dat de werkelijkheid als mogelijkheid wordt opgevat. Misschien ben ik hierin te pessimistisch, maar mijn these is dat door een sterke technificering van de wetenschap het ware en werkelijke steeds meer als het mogelijk opgevat wordt.

Enerzijds zien we namelijk dat waarheid in de afgelopen honderden jaren in grotere mate relatief is geworden aan methode en dus aan het menselijke kennen – het criterium voor het ware wordt hiermee steeds meer bij onszelf gelegd. Anderzijds zien we dat wetenschap in het teken staat van het technische en het oplossen van problemen. Dit betekent dat de waarheid of het denken over de werkelijkheid qua werkelijkheid zich meer en meer te kennen geeft als iets dat moet werken voor ons. De vraag wordt niet: ‘wat is het in waarheid?’, maar ‘hoe werkt het?’ Kunnen we het voorspellen en hiermee gebruiken voor onze eigen doeleinden?

Radicaal opgevat leidt dit proces ertoe dat de werkelijkheid niet meer te kennen is buiten het mogelijke om. Het technische kennen vraagt niet naar de werkelijkheid van het werkelijke, maar naar hoe wij van deze stand-van-zaken naar de gewenste andere stand-van-zaken kunnen komen. Wat is er mogelijk? De actualiteit wordt dus bezien vanuit wat er mogelijk is. Het probleem is dat dan VR niet hard onderscheiden kan worden van de “werkelijke” werkelijkheid, die zich ook voornamelijk als mogelijkheid laat kennen.

Inderdaad, de “werkelijke” werkelijkheid biedt ons nog altijd meer mogelijkheid dan de VR – en zal zich hierdoor ook al waarheidscriterium tegenover de VR tonen, althans voorlopig. De kracht van VR is echter dat de manipulatie en simulatie veel gemakkelijker verloopt dan in de werkelijkheid als mogelijkheid, en hiermee doemt een van de grootste ethische vragen op die de nieuwe generatie kijkers zal moeten beantwoorden. In welke termen kunnen we het onbeperkte spektakel van genot, dat VR belooft te brengen, afwegen tegen de logheid van de ‘werkelijkheid’ daarbuiten? Indien deze laatste ook als niets meer dan mogelijkheid wordt opgevat, dan zal de VR zich als de superieure werkelijkheid tonen, vanwege haar grenzeloze flexibiliteit zich naar onze wil te vormen. Welk verzet kan geboden worden tegen een Brave New World?

Conclusie

VR is een medium dat groot plezier, maar ook grote vragen met zich meebrengt. Het belang de werkelijkheid als actualiteit te kunnen blijven verdedigen kan niet onderschat worden. De mens verstrikt dieper en dieper in eindeloze autostimulatie, die de uiteindelijke beantwoording aan de ethische vraag onmogelijk kan maken als het ware louter in termen van het mogelijke wordt opgevat. Als het ons lukt de “werkelijke” werkelijkheid niet enkel als mogelijkheid te bezien, maar de werkelijkheid voorbij onze wil, d.w.z. als iets Anders dan onszelf, te zien – dan kan VR een warme verrijking zijn van onze creatieve wil te scheppen. We moeten echter uit onze eigen droom kunnen blijven ontwaken.

Vrede en de Dialoog

Dit is een oproep aan alle academici in Nederland: stop het wortel schieten van de haat, zwengel het denken weer aan, sla de brug naar de maatschappij. Europa kraakt onder zijn eigen angsten en helt over, richting de zwarte diepten van xenofobie en fascisme.  We staan aan de voet van een Europese crisis en een lange nacht van de leugen als wij gezamenlijk dit onheil niet weten af te weren. Kan het licht van het denken hier geen heil bieden?

                Haat werkt via ontkenning: de ontkenning van menselijkheid, gelijkwaardigheid, nabijheid. Daarentegen werkt het denken via de dialoog en de uitwisseling van gedachten, bevindingen, experimenten. Haat sluit af en verwerpt, denken opent en benadert. Deze openheid en toenadering is bij uitstek wat de universiteit te bieden heeft aan de maatschappij. De openheid van de vraag die niet bij voorbaat beantwoord is toont het denken als proces en als dialoog. Een dialoog kan alleen daar ontstaan waar openheid is voor het Andere – de dialoog is uitstel van oordeel en uitstel van geweld. Waar gedacht wordt, ontspannen de gebalde vuisten.

                Mijn oproep aan alle academici is daarom de volgende: breng de dialoog op gang. Zet uw kennis in werking. Geef publieke lezingen, benader de pers en vertaal uw ideeën zodat ze tot ver buiten het academische kunnen reiken. Deze vrije stroom van het denken als openheid is het sterkste tegengif voor het geweld dat sluimert aan onze Europese horizon.

Het TTIP-bedrog

TTIP is een trans-Atlantisch vrijhandelsakkoord tussen Europa en de VS. Indien dit akkoord gesloten wordt, zal dit grote gevolgen hebben voor de toekomst van Europa; desondanks vinden de beslissingen over dit akkoord grotendeels in het geheim plaats, onder sterke invloed van de lobbyisten van MNOs. Ik ben bezorgd dat er in deze besluitvorming te weinig rekening gehouden wordt met de Europese burger. Teken de petitie tegen TTIP en kom 10 oktober naar het protest als jij je ook zorgen maakt over dit verdrag.

Het trans-Atlantisch handelsakkoord met de Verenigde Staten (TTIP) dreigt daadwerkelijk gesloten te gaan worden. De onderhandelingen van de Europese Commissie zijn tot nu toe schandalig open geweest in hun geslotenheid, ondanks een handtekeningenactie die meer dan twee miljoen handtekeningen van bezorgde burgers verzamelde. Er is dus, gelukkig, in ieder geval veel comotie rondom het TTIP handelsakkoord. Ik ben zeer tegen het sluiten van deze handelsovereenkomst en zet hier uiteen waarom.

Ten eerste vanwege de beruchte Investor-to-State Dispute Settlement (ISDS) clausule van TTIP. Via deze clausule kunnen bedrijven Europese staten aanklagen, indien deze beleid voeren wat in strijd is met de TTIP overeenkomst. Het is een open erkenning van het gegeven dat niet de staat de marges van het bedrijfsleven gaat bepalen, maar dat andersom het grootbedrijf de grenzen van de democratie trekt. Is dit in het belang van de Europese burger? De lijst van lobbyisten liegt er niet om: de MNOs hebben hier wat te winnen. Het is een veeg teken aan de wand dat de Europese Commissie zo gesloten is over wat er in haar bijeenkomsten met lobbyisten besproken wordt. Bijvoorbeeld met omstreden tabaksproducent Philip Morris. Ik vind dat wij als burgers recht hebben om te weten wat hier gaande is. Zeker aangezien Philip Morris momenteel in rechterlijke strijd is met Uruguay, vanwege het anti-rook beleid van dit land. Bottom line: Uruguay is niet meer vrij in het maken van zijn eigen wetten, maar gaat onder de bijl voor dit Trojaanse paard. Via ISDS kan de Europese staten hetzelfde lot boven het hoofd hangen; de vraag is waarom de Europese Commissie dit zo’n puik plan vindt.

Ten tweede keer ik mij tegen deze deal, omdat het volstrekt onduidelijk waarom een vrijhandelsakkoord nodig is. TTIP wordt vooral verdedigd omdat het een stroomlijning is van de handel: onnodige belemmeringen tussen de VS en Europa worden opgeheven. Het bekende voorbeeld hiervan is wanneer de kwaliteit van producten op hetzelfde niveau is, maar deze op verschillende manieren getoetst wordt. Op het moment worden standaarden wederzijds nog niet erkend, wat tot extra importheffingen of zelfs ontzegging tot de markt leidt. Inderdaad zijn zulke situaties vervelend, maar waarom is een complete vrijhandelsdeal de oplossing? Kan er niet per sector nieuwe gezamenlijke wetgeving komen? Waarom rechtvaardigt dit het openbreken van de gehele markt? Ook achter dit rookgordijn van een argument ontwaren wij de schaduwen van de multinationals.

Ten derde is het onvermijdelijk dat via TTIP de Europese samenleving onder toenemende Amerikaanse invloed zal komen te staan. Het is een volstrekte illusie om handel als een louter monetaire bezigheid te zien.Wat er beschikbaar is op de markt, bepaalt wat je als consument kunt nuttigen. TTIP gaat de markt noodzakelijk overhoop halen, heeft zelfs als expliciet doel dit te doen. Soms is het echter goed dat niet alles beschikbaar is, zoals arts Noëlle Geubbels toonde in haar artikel. Door TTIP wordt de importheffing op ongezond Amerikaans voedsel verlaagd, waardoor dit gemakkelijk in onze supermarkten verkocht kan worden. Het zijn vooral armere mensen die hier de dupe van zijn, omdat het voedsel vaak niet alleen ongezond, maar ook goedkoper is dan gezond eten. Rijk en gezond versus arm en dik. Welcome to America.

Ten vierde werkt de rechtvaardiging van TTIP alleen onder de aanname dat een rijker Europa een beter Europa is. Ten eerste klopt deze aanname alleen als de welvaart gelijk verdeeld kan worden onder de Europeanen. Als er teveel aan de strijkstok van de grootbedrijven blijft hangen, kan Europa in zijn geheel rijker worden zonder dat meeste hier iets van merken. Het enthousiasme van de multinationals voor TTIP moet ons sceptisch stemmen (zie ook: Piketty). Ten tweede zegt rijkdom an sich natuurlijk nog niets over hoe Europa zich ontwikkelt. Geld, als middel, creëert mogelijkheid. Hoe deze mogelijkheid zich verwerkelijkt is vervolgens aan de geldbezitter. Een te nauwe focus op pure economie vergeet dat het geld geen doel in zichzelf is, maar dat het in essentie een middel tot iets anders is. De vraag is niet hoeveel geld TTIP aan Europa zou kunnen brengen, maar vooral wat wij met dit geld willen gaan doen. Wanneer het geld enkel wordt gezien als een kwantiteit, blijven de sociaal-politieke gevolgen ervan verhuld.

Mark Rutte verdedigt zijn steun aan het akkoord echter wel door te wijzen op de mogelijke economische voordelen ervan. Zo blijkt uit een Duitse studie dat er 400.000 banen in Europa gecreëerd zouden kunnen worden. Dit is natuurlijk een studie in opdracht van de Europese Commissie geweest, die bovendien op absurde aannames is gebaseerd om tot dit al te rooskleurige scenario te komen. Zo zouden volgens deze studie werknemers in staat moeten zijn van baan te wisselen als er in hun sector banen verdwijnen en in een andere sector banen ontstaan. Iedereen kan zich voorstellen dat de werkelijkheid helaas weerbarstiger werkt. Een alternatieve studie van Amerikaanse promovendus Capaldo deed deze aanname niet. Hij toonde aan dat er in Europa zelfs 100.000 banen zouden kunnen verdwijnen door TTIP. Het enige argument vóór het akkoord is, zacht gezegd, gestoeld op een rot fundament.

Initiatieven als FTM, De Correspondent of de Nieuwe Universiteit tonen aan dat het kritische denken nog alive and kicking is. Er is plots een nieuwe impuls voor maatschappijkritiek ontstaan: zou het protest weer deel van de 21e eeuw worden? Een gezonde samenleving kan in ieder geval niet zonder. Het is tijd dat we het ondemocratische, absurde TTIP stoppen en als burgers eindelijk weer boven het geruis van het geld uit kunnen klinken. Iedere vorm van protest draagt bij aan deze strijd. Teken de petitie tegen TTIP. Kom naar een demonstratie. Het is de enige manier om aan te geven dat wij vinden dat Brussel hier de plank mis slaat. Ik geloof in de liberale democratie; ik geloof bovenal dat zij niet kan voortbestaan zonder dat haar voorwaarden telkens opnieuw bevraagd worden.

Deel de petitie, het facebookevenement of dit bericht met je vrienden om het tegengeluid te versterken

Uitweiding over ‘Drank en Drugs’

http://www.volkskrant.nl/opinie/drank-drugs-maar-geen-plezier-of-liefde~a4078344/

Tien dagen geleden schreef ik een opinieartikel in de Volkskrant over het nummer Drank & Drugs van Ronnie Flex en Lil’ Kleine. Ik betoogde dat Drank & Drugs een ‘anti-ideologie van neerslachtigheid’ vertegenwoordigt. In de media is dit op verschillende plaatsen (onder andere het EenVandaag item) opgevat als een morele afkeuring van de hit. Dit is echter niet mijn intentie geweest met het schrijven van dat artikel; de boodschap die ik hoopte te vertegenwoordigen was dat ook het publiek een verantwoordelijkheid draagt in haar relatie tot (pop)cultuur.

Ik geloof absoluut niet dat het nummer gevaarlijk is; zoals Giel Beelen (ook in dat EenVandaag item) illustreerde is de verheerlijking van genotsmiddelen in popmuziek al decennia een geliefd thema. De apocalypse laat nog op zich wachten. De huidige discussie is verstrand in het spuien van zinloze intuïties en Drank & Drugs kan netjes worden toegevoegd aan het lijstje van controversiële hits. Mijn analyse was echter een oproep, niet tot het afkeuren van Drank & Drugs (dit is nergens voor nodig), maar voor een onderzoek voorbij het moraliserende gemiemel.

De track is een reflectie van iets dat veel weerklank vindt, ook bij mij. Maar wat is dit precies? En waarom roept dit bij zoveel mensen ook een aversie op? Dit zijn de werkelijk interessante vragen. Wanneer de commotie rondom de track bedaard is (en wanneer alle intuïties benoemd zijn, zal dit vanzelf gebeuren), blijven deze vragen onbeantwoord. Dat is zonde. Zo blijft het debat hoppen van controverse naar controverse zonder dat wij daar als mensen werkelijk beter van worden. Mijn pleidooi blijft het, dat het loont om muziek serieuzer te nemen, precies omdat wij dan geforceerd worden antwoorden te formuleren op de vragen die er toe doen.