Een Nietzscheaans Nieuwjaar: Amor fati!

Een Nietzscheaans Nieuwjaar!

Het is inmiddels Nieuwjaarsdag; 2017 is aangebroken en laat dat vreemde, in vele opzichten lelijke jaar 2016 achter zich. Ik herinnerde mij een spreuk van Nietzsche, geschreven in die fröhliche Wissenschaft, die ik graag met jullie zou delen. Het is af en toe moeilijk om nog van deze wereld te houden, die met rasse schreden naar een explosie van geweld en ellende lijkt te bewegen. In zijn Nieuwjaarswens roept Nietzsche zichzelf op om te leven naar de gedachte het noodzakelijke aan de dingen ook als het mooie te zien. Continue Reading

Carnaval als verzetsdaad

.

Outfit van een verzetsheld

Ik ben afgelopen week bezig geweest met het werk van de Russische filosoof en literatuurcriticus Michael Bakhtin (1895 – 1975). Hoewel dit niet zo gepland was, blijkt deze denker uitstekend geschikt te zijn voor deze periode van het jaar (althans, in Brabant): carnaval! Het centrale idee in zijn meesterlijke boek The Dialogical Imagination (jaren ’30 vorige eeuw) is dat de parodie en satire iedere taal openbreken die probeert allesomvattend en absoluut te zijn. Nemen we de kunst van de parodie serieus, dan blijkt namelijk dat dit niet zomaar domme imitatie is, maar dat in deze imitatie de taal zelf als object verschijnt. Hoe zit dit?

In een parodie wordt een manier van spreken geïmiteerd, maar wordt deze buiten zijn originele context genomen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alleen de intentie van de taal verschijnt, waardoor deze oorspronkelijk gevormd werd, maar plots de taal zelf als object naar voren treedt. Het officiële jargon van dokters is bijvoorbeeld zo ontstaan als het nu is, omdat dit binnen de gemeenschap van doktoren zinvol was – het ietwat afstandelijke discours van de dokters staat het toe om het lichaam te beschouwen los van de persoon die het belichaamt. Wanneer Brabant tijdens carnaval volstroomt met bezopen schijnchirurgen en dronken nepartsen, die hoogstwaarschijnlijk het normale doktersjargon zullen toepassen in de schalkse context van het carnaval (denk aan de typische outfit van de Love Doctor) dan ontstaat hier een interessant dialoog van verschillende talen, die in deze dialoog het talige zelf grijpbaar maken. We hebben enerzijds de taal van degene die de parodie uitvoert – waarschijnlijk zelf geen dokter. Anderzijds spreekt de parodiërende persoon in de taal van wat hij parodieert – maar kopieert deze taal natuurlijk niet volledig, juist in de afwijking die zijn eigen taal meebrengt, wordt dit grappig. De Love Doctor kan zijn plastic stethoscoop met diezelfde gebaren van de dokter op de borst van een ietwat dronken indiaan leggen. Hierin worden deze gebaren geparodieerd, omdat ze buiten hun oorspronkelijk intentie getrokken worden. De wijze waarop dit gedaan wordt, is dan weer binnen de taal en intenties van diegene die de parodie uitvoert. In dit geval dus binnen die van de carnavaller met z’n vieze bedoelingen. Het onderwerp van deze grap is de manier van spreken, of doen, van de doktoren zelf, maar dit wordt grappig doordat het binnen de taal van de bezopen situatie van de grappenmaker getrokken wordt. De parodie is dus een interactie tussen contexten, die buiten het gewoonlijke gebruik van de taal treedt (de gewoonlijke context waarin de taal zelf verborgen blijft achter het intentionele).

Samenvattend: de parodie neemt een manier van spreken en brengt dit buiten zichzelf, doordat het vermengd wordt met andere intenties en een andere context. Echter in de parodie is noch de ene, noch de andere manier van spreken overheersend: het kan alleen begrepen worden als een dialoog van twee verschillende vormen van spreken. Hierdoor brengt het de taal buiten zichzelf en staat ons toe op de sociale factoren van het talige te reflecteren.

Maar hoezo is dit dan een verzetsdaad? Ik noem deze manier van parodie een daad van verzet tegen iedere poging om een absolute taal te funderen. Misschien vraag je jezelf af wie er bezig is om zo’n taal te verzinnen, maar toch is het een neiging van deze tijd om hiernaar te streven. Hierbij kan je denken aan Steven Hawkings hoop op een universele theorie van het universum, oftewel één juiste taal om al het gebeuren van het universum in te vangen. Ook het neo-liberalisme, dat om mysterieuze redenen nog altijd zó populair is in het Avondland, beschouwt de menselijke vrijheid als niets dan de mogelijkheid de eigen verlangens bot te vieren in de worsteling met anderen. Deze stroming heeft het denken over nut en zingeving tot zo’n platte taal teruggebracht, dat ik het openbreken ervan door de parodie als een welkome daad van verzet beschouw.

De parodie blijft niet binnen een taal, maar laat deze taal als object verschijnen waarover we kunnen reflecteren. Het toont dat iedere taal uiteindelijk gebonden is aan een beperkte sociale context waarin ze zinvol is, terwijl het tegelijkertijd een alternatief daartegenover zet. Bakhtin noemt taal daarom ook wel een reflectie van het ideologische-historische worden van de mens en de parodie als een poging verschillende sociale werkelijkheden met elkaar in dialoog te brengen. Carnaval is een enorme smeltpot van culturen en discoursen, een steek van het volkse naar elitaire en creëert ruimte om adem in te halen (en nieuwe woorden te inhaleren) binnen een maatschappij die telkens naar één soort discours lijkt te neigen (het technisch-wetenschappelijke). Dat je bier kunt drinken én onderwijl werken aan de vrijheid van je sociale klasse: het wonder van de carnaval.

Het offer van de liefde

Een nieuw jaar: wat te denken, wat te doen? Een nieuw jaar op dezelfde oude, vermoeide wereld – met nieuwe problemen, nieuw leed, nieuwe uitdagingen. Een nieuw jaar, een nieuw geluid?

Mijn wens voor jullie in het komend jaar is tenenkrommend cliché; ik wens jullie allemaal niets dan de liefde. Misschien klinkt dit als een simpele wens, want zo vaak horen wij al over de liefde – in liedjes, in gedichten, in films. Maar wordt het werkelijk duidelijk wat er in deze onvermoeibare iteratie van het I love you bedoeld wordt? Een korte reflectie op de liefde.

Er zijn – in ieder geval – twee soorten liefde. We kennen natuurlijk het Halmark ideaal, dat eindeloos opnieuw en met zo weinig variatie door de machines van de cultuur industrie uitgebraakt wordt. In dit ideaal is de liefde een doelmatig proces richting het Happy End van de Hollywood film, een gemeenschappelijk streven waarna de geliefden elkaar zullen bezitten – ondanks hun tekortkomingen of verschillen. Het is een liefde die overwint, een liefde waarin de ander gekend en omarmd wordt. Het is de liefde van de verliefde, die de afstand tot de ander ondragelijk vindt, die de ander de zijne wil maken. Het is het verlangen dat op zoek is naar consumptie van het andere, samensmelting in een roes van genot en nattigheid. Ze ligt hierin dichtbij de lust, die ook streeft naar de vernietiging van het andere als andere opdat het ‘t zelfde genot kan worden. Misschien is het daarom niet verbazend dat de pop industrie met zo’n gemak haar dubbele boodschap van liefde en consumptieve erotiek uitstoot.

Tegenover dit ideaal – en dit is de liefde die ik jullie toewens – staat de liefde als het offer dat ontsnapt aan de gehele economie van de verliefdheid. Wie deze liefde geeft, ontvangt geen Valentijnskaart die aan het offer recht kan doen, geen bevrediging van de lust of opheffing van de afstand tussen de geliefden. In dit liefhebben blijft de ander een ander. Dit is ook wat het offer inhoudt: erkennen dat de ander, die jij lief hebt, anders blijft – de ander blijft altijd buiten jouw liefde, is niet te overwinnen zonder zijn andersheid te verliezen. Deze liefde is dus respectvol: durf de ander anders te laten-zijn.

Maar het is niet alleen dit erkennen dat de beweging van de liefde is. Het ware liefhebben zet alles op het spel. Ik begeef mij in de liefde altijd op glad ijs: ik geef om de ander, die ik als ander blijf respecteren. Ik zet mijzelf op het spel, laat die ander toe tot diep in de roerselen van mijn geest, zonder ooit te kunnen controleren hoe die ander met mijn kwetsbare essentie om zal gaan. Mijn er-zijn zet ik op het spel voor een wezen dat uiteindelijk buiten mijn controle blijft. Dit is een ander die kan verdwijnen, sterven, een ander die mijn openheid voor haar nooit kan omsluiten. De ander blijft altijd buiten mij als ander.

Het offer is dus een eindeloze onzekerheid: ik zet alles op het spel voor deze ander. Wat ik hiervoor terugkrijg doorbreekt de rekensom van de economie. Ik krijg de ander, maar zonder haar te bezitten. Ik beperk mijzelf in mijn streven, maar ik krijg daar een gehele wereld buiten mijzelf voor terug.

We smelten met deze warme winter het nieuwe jaar in, richting onze nieuwe uitdagingen, onze nieuwe problemen en ons nieuwe leed. Maar we glijden ook richting onze nieuwe kansen, nieuw plezier en hopelijk bovenal de altijd nieuwe liefde. Gelukkig 2016!

Bibliografie

Derrida, Jacques. De Gave van de Dood. Zie ook: http://8weekly.nl/recensie/boeken/jacques-derrida-vertaling-sophia-van-t-ende-de-gave-van-de-dood-de-aporie-van-de-verantwoordelijkheid/

Levinas, Emmanuel. Totalité et Infini. Zie ook: https://www.boomfilosofie.nl/documenten/9789461050724.pdf