Mijn reis naar Shikoku

Kobo-daishi-jojuin

Komende maanden zal ik niet in staat zijn te schrijven, aangezien ik naar het verre Japan afreis. Ik heb besloten daar geen blog bij te houden, maar ouderwets in mijn dagboeken te schrijven. Deze zullen in hardcover editie verschijnen bij de betere boekhandel, maar ik moet nog wel even met Dan Brown kortsluiten wanneer hij zijn volgende boek uitbrengt, zodat we elkaar qua verkoop niet in de weg zitten.

Continue Reading

Wie ben ik? Deel 2: de Boeddha

Dit is het tweede deel in een drieluik over perspectieven op het Zelf. Deze keer: hoe kijken Boeddhisten naar het Zelf?


Boeddhisten praten vaak over ‘de’ Boeddha, in plaats van simpelweg ‘Boeddha’. Dit komt omdat er volgens het Boeddhisme al veel Boeddha’s zijn geweest: ‘Boeddha’ verwijst naar iemand die op eigen kracht verlichting heeft bereikt. Met ‘de’ Boeddha wordt Siddhartha bedoeld, de centrale figuur in het mainstream Boeddhisme. Veel van de levenslessen van deze beste man zijn bewaard gebleven en zijn zeer de moeite waard – ook als je niet naar het Nirvana hunkert.

Voor deze blog heb ik het boek ‘Buddhism in Translations’ gebruikt van Henry Clarke Warren, een bundel van vertaalde Boeddhistische geschriften. Eén passage in het specifiek toont hier duidelijk hoe de Boeddha naar het Zelf kijkt. De titel die Henry Clarke Warren aan deze passage geeft, vat al goed samen wat deze visie inhoudt: ‘No Continuous Personal Identity’ (pp  148 – 150).

In deze passage legt een volgeling van de Boeddha, de heer Nagasena, met heldere voorbeelden uit waarom de Boeddha niet in een persoonlijke identiteit gelooft. Hij is gesprek met een koning. Hier geef ik de Nederlandse vertaling van enkele van deze voorbeelden:

1. Het Zelf als vuur

N: “Als een man een licht aan zou steken, zou het de gehele nacht branden?”

K: “Natuurlijk, edelachtbare, het zou de gehele nacht branden.”

N: “Wel, majesteit, is de vlam die brandt tijdens de eerste wacht dezelfde als die gedurende de middelste wacht brandt?”

K: “Nee, uiteraard niet. […] Het is door de connectie [van het middelste] met het eerste licht dat er de gehele nacht vuur kon branden.”

N: “Op dezelfde manier, majesteit, zijn de elementen van zijn met elkaar verbonden in seriële opvolging: een element vergaat, een ander ontstaat, ze volgen elkaar, bij wijze van spreken, onmiddellijk op.”

Uitleg: Het Zelf wordt hier vergeleken met een vlam die brandt. Als je deze vlam op twee momenten zou bekijken, zijn er duidelijk verschillen tussen de twee in vorm. Een vlam flakkert en is continu in beweging. Kunnen we het dan eigenlijk wel één vlam noemen, als er eigenlijk niets is wat hetzelfde blijft? In de Boeddhistische leer staat dit symbool voor het Zelf: telkens hebben we andere ervaringen, er komen dingen en er vergaan dingen. Er is niet één vorm die de hele tijd hetzelfde blijft, alles is altijd in verandering. Zoals we bij Hegel gezien hebben, is dit voor de Boeddhisten ook reden om het Zelf niet in de ervaring te zoeken. Hier is, volgens hen, enkel verandering zichtbaar.

2. Het Zelf als melk (en room, en boter)

N: “Het is alsof, uwe majesteit, nieuwe melk, gedurende het verstrijken van de tijd, zou veranderen in zure room, en van zure room in verse boter, en van verse boter naar boterolie. En als iemand, uwe majesteit, zou zeggen dat de zure room, de verse boter, of de boterolie nog steeds de melk zelf waren – zou hij dan gelijk hebben, als hij dit zou zeggen?”

K: “Nee, werkelijk, edelachtbare. Zij ontstonden door een connectie met de melk.”

Uitleg: Melk is goed voor elk, laat dat vooropstaan. Desondanks kunnen we volgens Nagasena niet zeggen dat als melk van vorm verandert er toch iets hetzelfde blijft: hoewel de boter duidelijk vanuit de melk ontstaat, is het ook werkelijk wat anders geworden. Toegepast op het Zelf zou dit betekenen: ondanks dat we nieuwe ervaringen krijgen, die in verbinding staan met voorafgaande ervaringen, betekent dit nog niet dat we dezelfde persoon zijn gebleven. Want kunnen wij in de ervaring aanwijzen wat er gelijk is gebleven? De Boeddhist zou zeggen: Nee, er is geen Zelf te herkennen in de ervaring.

Het idee van de Boeddha is dat het Zelf geen vaste vorm kent, die we duidelijk kunnen onderscheiden van dingen die niet-Zelf zijn. We hebben, als we goed kijken, alleen ervaringen die in elkaar overgaan, maar geen vastigheid om een Zelf aan te pinnen. Dit is een centraal punt in de Boeddhistische filosofie, omdat het een aanmoediging is voorbij de vormen te zoeken en deze op te heffen. Wanneer we kunnen inzien dat we geen Zelf zijn, dat we enkel aan een reeks losse ervaringen krampachtig de vastigheid van een Zelf proberen toe kennen, zouden we in staat moeten zijn om de werkelijkheid dieper en beter te begrijpen.

Of je de Boeddhisten nu wilt volgen op deze zoektocht of niet, ik denk dat hun analyse van het Zelf een pijnpunt aangeeft in het Westerse denken over het individu. Want kunnen we wel grijpen wat er precies hetzelfde blijft in onze ervaring van het Zelf? Is er inderdaad niet telkens verandering, momenten slechts verbonden doordat er telkens iets vergaat en iets anders ontstaat? Het opheffen van het Zelf geeft ruimte voor empathie met andere levensvormen, omdat we niet langer de harde grenzen tussen het één en het andere hoeven te erkennen. Om met een mooi, doch zweverig cliché te eindigen: is alles dan niet Eén?