Van de Extinctie II: Erkenning

1eedd6e5-f265-4157-b304-1f678d043d48

Foto 1. Hert bij de Waterleidingduinen. Bron: Het Parool.

De volgende post is een longread. Ik heb op verzoek tweemalig (bij deze en de vorige post) voor dit format gekozen. Hierdoor heb ik de ruimte gekregen om mijn gedachten iets breder uit te werken. 

In wat volgt doe ik een eerste poging om te denken waarom het een kwaad is als andere levenssoorten uitsterven door menselijk toedoen. Ik zal laten zien hoe we via de waarneming van levende wezens een raakvlak van beschrijving en ethiek kunnen onthullen. Als we een levensvorm als zodanig erkennen, dan erkennen we ook dat het een Andersheid heeft ten opzichte van ons. Deze Andersheid zou mogelijk kunnen functioneren als grond voor respect van het andere leven.

Vervolgens zal ik een argument tegen mijn positie inbrengen: ligt in de erkenning van het andere leven niet de mogelijkheid tot vergissing? Dat wil zeggen: hoe weten we dat het andere leven ‘echt’ is, kan onze waarneming geen vergissing zijn? Dit zal ik weerleggen.

Ik eindig met enkele vragen en tekortkoming van de benadering die hier voorgesteld wordt. Het belangrijkste probleem is dat de erkenning verloopt via onze menselijke maatstaven. Niet al het leven is voor ons evenveel waard. De ethiek, echter, lijkt ons te vragen deze ‘belemmering’ te overschrijden.

Verder lezen

Advertenties

Démocratie à venir

Onder de slogan “Red de democratie!” streed GeenPeil voor de komst van het Oekraïne referendum, waar wij 6 april onze stem kunnen uitbrengen over het voorgestelde handelsverdrag met Oekraïne. Deze slogan onderschrijf ik, al is het op een andere manier dan GeenPeil haar zelf bedoelt. Het democratische aan het opkomende Oekraïne referendum zal niet de uitslag van het referendum zijn, dit zou ik slechts accidenteel democratisch noemen. De werkelijk democratische vraag die het referendum opgeworpen heeft is wat de democratie eigenlijk is en of directere participatie aan de democratie via referenda de juiste weg voor de democratie is. Deze discussie is bij uitstek democratisch, omdat ze de democratie niet als af beschouwt, maar toont dat er binnen een democratie ruimte is voor discussie over haar wezen. De Franse filosoof Jacques Derrida beschrijft dit als la démocratie à venir (de democratie die altijd komende blijft). Deze gedachte zal ik hier aan de hand van het Oekraïne referendum illustreren.

GeenPeil streeft waarschijnlijk naar een ideaal van democratie waarin het volk directe invloed heeft op het wetgevende orgaan in een samenleving. Dit ideaal is sceptisch tegenover het idee van representatie, zoals wij dat in Nederland hebben. Politici zouden verleid kunnen worden andere belangen te behartigen dan die van het volk dat hen verkoos. De vrees is dat er een technocratie ontstaat, een samenleving waarin ‘experts’ bepalen wat het volk zou moeten willen. “Red de democratie” is dan een oproep om de macht directer bij het volk terug te brengen en toont aan dat het vertrouwen in de representatie aan het eroderen is. De politici zouden niet meer ‘voor ons’ spreken.

Echter, doordat het onderwerp van het referendum zó complex is, zou GeenPeil nog wel eens het omgekeerde kunnen bereiken van wat het beoogde. Ikzelf en veel mensen om mij heen hebben ontzettende moeite te bepalen wat verstandig is om te stemmen. Er blijft veel onduidelijk en een gegronde stem vereist eigenlijk dat je het gehele verdrag van honderden pagina’s bestudeert, plus dat je een goede kennis opdoet van de politieke geschiedenis van Oekraïne. Dit leidt ertoe dat velen sceptisch zijn geworden tegenover het idee van dit referendum überhaupt. Deze complexiteit wijst ons er misschien zelfs op waarom we een representatieve democratie hebben: zodat we deze beslissingen uitbesteden aan politieke partijen, die de middelen en de tijd hebben (of zouden moeten hebben) om de gevolgen van de keuze te overzien.

De discussie verplaatst zich dus naar de aard van de democratie. Deze discussie vind ik zelf een erg waardevol gevolg van het referendum. Het toont dat de democratie nog niet af is. Er wordt opnieuw gesproken over wat het betekent een democratisch land te zijn, wat het betekent te stemmen en hoe de burgers invloed zouden moeten hebben op de beslissingen van de politiek. Dit is volgens Derrida wat de kracht van de democratie is: nog niet volledig bepaald te zijn. Juist doordat democratie geen vaste ‘essentie’ heeft, heeft het als systeem een toekomst. Democratie kent geen vaste vorm (zie bijvoorbeeld al de verschillen tussen Europa en de Verenigde Staten) en hierdoor staat de vorm die het zou moeten nemen in principe altijd ter discussie. De democratie is daarom altijd komende: telkens als ze een vorm aanneemt, laat ze ruimte open om deze vorm te betwijfelen.

Dit maakt de keuze om wel of niet te stemmen niet makkelijker. Jouw stem is niet alleen een stem voor of tegen het verdrag, maar ook een stem voor of tegen referenda. Dit is de verantwoordelijkheid van de burgers van een democratie: te werken aan een politiek systeem dat telkens opnieuw de eigen horizon verlegt.

Voorbij tolerantie

Ik pleit hier voor een hernieuwde vraag naar het wezen van tolerantie. Is dit begrip geschikt  voor de huidige problemen van Europa? Ik onderzoek deze vraag aan de hand van de discussie tussen Jürgen Habermas en Jacques Derrida.

Nieuwe vraaghorizon

We beleven rumoerige dagen waarin veel van het gereedschap dat ons hielp de wereld te begrijpen plots bot blijkt te zijn. Niet langer voldoen onze concepten, en misschien ook onze ethiek niet, om recht te doen aan de vragen die afgelopen jaar voor ons Europeanen opwierp. Ergens tussen humanisme en neoliberalisme worstelt Europa met het vluchtelingenvraagstuk, onderlinge solidariteit, internationale betrekkingen – en dit alles onder de gitzwarte horizon van een dreigend klimaatprobleem. Eerder betoogde ik al dat we opnieuw moeten leren vragen in plaats van de simpele voorhanden antwoorden te accepteren. Enkele weken na het schrijven van dit stuk ben ik hier nog sterker van overtuigd geraakt. We staan gezamenlijk voor de moeilijke taak om een nieuwe vraaghorizon te ontdekken, vanuit én voorbij aan het denken zoals dat ons bekend is.

In dit artikel wil ik een deel belichten van de tweestrijd tussen de Duitser Jürgen Habermas en de Franse filosoof Jacques Derrida. Deze tweestrijd is deel van de vraag naar de toekomst van Europa. Waar de eerste telkens poogt om het Europese Verlichtingsdenken om te smeden tot een hanteerbaar en verdedigbaar geheel in de 21e eeuw, heeft Derrida zich juist geconcentreerd op een genadeloze deconstructie van de concepten die ons uit de Verlichting zijn overdragen. Het verschil tussen deze twee benaderingen komt goed naar voren in het denken over tolerantie¸een begrip dat in onze multiculturele samenleving van ongekend belang is.

Derrida over tolerantie

Derrida linkt het begrip van tolerantie aan het christelijke denken, waardoor het niet zo’n neutraal begrip blijkt te zijn als dat het zich voor doet. In het moderne denken, bijvoorbeeld bij Spinoza, vinden we een verdediging van tolerantie vaak juist als onderdeel van een geseculariseerde redelijkheid. Het begrip zou juist voorbij zijn aan het christelijke. Derrida ontkent dit, doordat hij het begrip linkt aan liefdadigheid, in de christelijke zin. Tolerantie is dan een analogie voor het geven van de rijken aan de armen, oftewel een symptoom van een vrij sterke paternalistische relatie. Het probleem is daardoor dat tolerantie een éénzijdige en daardoor ook voorwaardelijke relatie is. De meerderheid bepaalt wie ze tolereert en onder welke voorwaarden. Wie getolereerd wordt, heeft daardoor het gevoel niet gelijkwaardig aan de tolererende partij te zijn. De vraag is daarom voor Derrida of tolerantie niet eigenlijk verhulde discriminatie is, die in werkelijkheid gelijkwaardigheid tegenwerkt.

Tegenover tolerantie plaats Derrida daarom zijn concept van onvoorwaardelijke gastvrijheid. “Pure en onvoorwaardelijke gastvrijheid, gastvrijheid zelf, opent of is bij voorbaat open voor iemand die noch verwacht, noch uitgenodigd is, voor wie er dan ook aankomt als een absoluut onbekende bezoeker, als een nieuwe aankomst, niet identificeerbaar en onvoorzienbaar, kortom, een volledige ander.” (eigen vertaling uit Borradori, 2003, p. 17) Gastvrijheid als onvoorwaardelijke openheid is voor Derrida het werkelijke ethische ideaal. In Derridas ethiek gaat het namelijk om de relatie met de Ander, die zichzelf volledig als Ander mag behouden. Dat wil zeggen, we zoeken geen gemeenschappelijke grond, maar respecteren elkaar juist daar waar we verschillen. Tolerantie zet stiekem de wet van de heersende meerderheid vooruit en ziet de acceptatie van iedere afwijking van deze wet als een liefdadigheid.

Habermas over tolerantie

Habermas erkent veel van Derridas zorgen over dit concept en wijst er ook op dat de heersende authoriteit een flinke vinger in de pap heeft bij de verwerkelijking van tolerantie. Zo is het aan deze authoriteit om aan te geven wat nog wel en niet getolereerd wordt. In Nederland is er continue discussie hierover: in hoe verre is aanpassing van de nieuwkomers gewenst? Aan wie is het om dit te beslissen?

Habermas verdedigt ondanks de wankele positie van tolerantie dit begrip toch. Dit komt omdat hij gelooft dat in een goed functionerende democratie de bewoners van dat een land zelf de authoriteit zijn, die mag beslissen over wat getolereerd dient te worden. Er is dan geen eenrichtingsverkeer in de tolerantie-relatie, want iedere inwoner van een land beslist mee over de vormgeving van deze norm. Tolerantie is deel van een steeds hervatte, vredige discussie. In een ideale democratie verdwijnt daarom de assymetrie uit het tolerantie-begrip (Borradori, 2003, p. 16). De vraag naar tolerantie is dan een vraag naar hoe we ervoor zorgen dat de democratie goed blijft functioneren.

Afweging

De les die ik trek uit deze discussie is dat tolerantie niet onze gewetens kan doen sussen. Onder een slapend goed geweten kan een ongekend geweld huizen. Ik waardeer daarom Derridas poging om het begrip te deconstrueren en opnieuw te bevragen. Voor het pure denken, of de filosofie pur sang, is zijn alternatief een interessante optie. Echter, bezien we de problemen van Europa praktisch, dan is het de vraag of er al ruimte is voor het begrip van onvoorwaardelijk gastvrijheid. De discussies van afgelopen maanden lijken aan te tonen dat er hier weinig voedingsbodem voor zal zijn. Ik denk dat het goed is om een ethisch ideaal voor ogen te hebben, maar dat we dit vooral moeten gebruiken om te onderzoeken waarom de gastvrijheid zo onpopulair is op het moment. Waar komen de angsten vandaan – hoe reëel zijn ze? Wat zegt dit over Europa en haar positie in de wereld? Wat beweegt de opstanden tegen AZCs?  Voor deze vragen is nu juist de democratische inslag van Habermas effectief: wanneer slaat communicatief handelen om in vreemdelingenhaat en angst? Hoe kunnen we de condities herstellen voor een goed functionerende democratie?

Lees verder:

Borradori, Giovanni [interviewer]. Philosophy in a time of terror: interviews with Jürgen Habermas and Jacques Derrida. Chicago: Chicago University Press. 2003.

Het offer van de liefde

Een nieuw jaar: wat te denken, wat te doen? Een nieuw jaar op dezelfde oude, vermoeide wereld – met nieuwe problemen, nieuw leed, nieuwe uitdagingen. Een nieuw jaar, een nieuw geluid?

Mijn wens voor jullie in het komend jaar is tenenkrommend cliché; ik wens jullie allemaal niets dan de liefde. Misschien klinkt dit als een simpele wens, want zo vaak horen wij al over de liefde – in liedjes, in gedichten, in films. Maar wordt het werkelijk duidelijk wat er in deze onvermoeibare iteratie van het I love you bedoeld wordt? Een korte reflectie op de liefde.

Er zijn – in ieder geval – twee soorten liefde. We kennen natuurlijk het Halmark ideaal, dat eindeloos opnieuw en met zo weinig variatie door de machines van de cultuur industrie uitgebraakt wordt. In dit ideaal is de liefde een doelmatig proces richting het Happy End van de Hollywood film, een gemeenschappelijk streven waarna de geliefden elkaar zullen bezitten – ondanks hun tekortkomingen of verschillen. Het is een liefde die overwint, een liefde waarin de ander gekend en omarmd wordt. Het is de liefde van de verliefde, die de afstand tot de ander ondragelijk vindt, die de ander de zijne wil maken. Het is het verlangen dat op zoek is naar consumptie van het andere, samensmelting in een roes van genot en nattigheid. Ze ligt hierin dichtbij de lust, die ook streeft naar de vernietiging van het andere als andere opdat het ’t zelfde genot kan worden. Misschien is het daarom niet verbazend dat de pop industrie met zo’n gemak haar dubbele boodschap van liefde en consumptieve erotiek uitstoot.

Tegenover dit ideaal – en dit is de liefde die ik jullie toewens – staat de liefde als het offer dat ontsnapt aan de gehele economie van de verliefdheid. Wie deze liefde geeft, ontvangt geen Valentijnskaart die aan het offer recht kan doen, geen bevrediging van de lust of opheffing van de afstand tussen de geliefden. In dit liefhebben blijft de ander een ander. Dit is ook wat het offer inhoudt: erkennen dat de ander, die jij lief hebt, anders blijft – de ander blijft altijd buiten jouw liefde, is niet te overwinnen zonder zijn andersheid te verliezen. Deze liefde is dus respectvol: durf de ander anders te laten-zijn.

Maar het is niet alleen dit erkennen dat de beweging van de liefde is. Het ware liefhebben zet alles op het spel. Ik begeef mij in de liefde altijd op glad ijs: ik geef om de ander, die ik als ander blijf respecteren. Ik zet mijzelf op het spel, laat die ander toe tot diep in de roerselen van mijn geest, zonder ooit te kunnen controleren hoe die ander met mijn kwetsbare essentie om zal gaan. Mijn er-zijn zet ik op het spel voor een wezen dat uiteindelijk buiten mijn controle blijft. Dit is een ander die kan verdwijnen, sterven, een ander die mijn openheid voor haar nooit kan omsluiten. De ander blijft altijd buiten mij als ander.

Het offer is dus een eindeloze onzekerheid: ik zet alles op het spel voor deze ander. Wat ik hiervoor terugkrijg doorbreekt de rekensom van de economie. Ik krijg de ander, maar zonder haar te bezitten. Ik beperk mijzelf in mijn streven, maar ik krijg daar een gehele wereld buiten mijzelf voor terug.

We smelten met deze warme winter het nieuwe jaar in, richting onze nieuwe uitdagingen, onze nieuwe problemen en ons nieuwe leed. Maar we glijden ook richting onze nieuwe kansen, nieuw plezier en hopelijk bovenal de altijd nieuwe liefde. Gelukkig 2016!

Bibliografie

Derrida, Jacques. De Gave van de Dood. Zie ook: http://8weekly.nl/recensie/boeken/jacques-derrida-vertaling-sophia-van-t-ende-de-gave-van-de-dood-de-aporie-van-de-verantwoordelijkheid/

Levinas, Emmanuel. Totalité et Infini. Zie ook: https://www.boomfilosofie.nl/documenten/9789461050724.pdf

De Grijns van CoBrA

Onderstaande passage komt uit een manuscript van een langer werk waar ik ooit aan bezig was. Momenteel ligt het schrijven hiervan stil, maar ik hoop het binnenkort weer op te kunnen pakken. De passage beschrijft de relatie tussen het concept van de grijns en de schilderkunst aan de hand van de CoBrA beweging.

 

 Alechinsky - La Fourmilière

Figuur 1. Pierre Alechinsky – La Fourmilière (1954)

 

In een gelijke situatie bevindt Europa zich als de CoBrA groep destijds: zoekende naar een onschuld, naar een moraal passende voor de tijd – precies in een tijd waar de moraal gebroken is en cynisme de enige juiste houding lijkt te zijn. CoBrA ontstond echter na de gruwelen van een wereldoorlog; de grijns ontstaat op de weg naar een nieuwe oorlog toe. Het spookt in Europa en langzaam worden wij ons gewaar van een afnemende hoop op een voorwaarts. Misschien is het inderdaad weer tijd om de woorden van Nieuwenhuijs in zijn Manifesto ter harte te nemen:

“Our art is the art of a revolutionary period, simultaneously the reaction of a world going under and the herald of a new era. For this reason it does not conform to the ideals of the first, while those of the second have yet to be formulated. But it is the expression of a life force that is all the stronger for being resisted, and of considerable psychological significance in the struggle to establish a new society.”

Inderdaad staan wij nu ook weer op een tweesprong: tussen ongeloof en geloof, tussen ondergang en hoop. En tussen deze polen stuitert een levenskracht: het speelveld der Goden. Mijn boodschap lijkt sterk op die van CoBrA: een pleidooi voor activiteit en zoeken, experimenteren en hopen op een weg uit het nihilisme. Dit nihilisme dat zelf met cynisme bejegend wordt! Het ironische is dat het nihilisme bovenal erg aangenaam bleek en pas problematisch wordt, wanneer zij in botsing komt met de ruïnes van een christelijke moraal die nog altijd in onze harten gekerfd is. Men dient enkel de kranten open te slaan, om het ruggengraatloze geweeklaag gade te slaan. Onze moraal past niet meer bij onze nihilistische inborst, maar we zijn er schijnbaar nog niet aan toe dit te erkennen. CoBrA vond een nieuwe moraal in de bevrijding van de geest in het naïeve creatieproces: het einde van snobisme en een verlangen naar kinderlijkheid. Natuurlijk werkt er hier ook al een metafysica, namelijk de gelijkstelling van het kinderlijke met het Goede, maar deze metafysica is in ieder geval een actieve. Het is een metafysica die uitnodigt te proberen, die grenzen openscheurt en in haar tonen oproept tot actie. Het kinderlijke is uiteraard niet gelijk te stellen met het Goede, de zandbak is een slachtveld. Mij lijkt het dat CoBrA op zoek was, niet naar het Goede in het kind, maar naar het op-gaan-in dat de kindertijd zo kenmerkt. Het ontbreken van reflectie (precies omdat dit de bodem van cynisme is), het meestromen in stromen zonder ooit over de oevers te kijken. Een anti-technologische wereldvisie is het in deze zin: een herwaardering van het proces tegenover het eindproduct. Precies dan is ook een Endlösung onmogelijk.

         Er is echter nog een belangrijk verschil tussen de grijns en CoBrA. Waar CoBrA opereert in de waan een horizon uit te kunnen vegen (die van de burgerlijkheid), zal de grijns altijd onder een verdrukkende horizon moeten ploeteren. Metafysica is onvermijdelijk en daarom zal al het ontkennende ook altijd weer bevestigend blijken. De grijns is altijd zowel binnen- als buiten-zichzelf. Het escapisme van CoBrA is voor de grijnzende onmogelijk. Desondanks kan de kunst van CoBrA een nieuw vooruitzicht bieden op hoe de wereld voorbij-de-grijns zou kunnen zijn. Een kinderlijke vrolijkheid van het ongehinderd creëren: het materiaal dat zichzelf vormgeeft, een toegankelijke kunst. Het doet mij ook denken aan de weg van de bevrijding die Deleuze schetst: het ineenstorten van structuren door het bevrijden van verlangenmachines. En in al mijn cynisme kan ik ook niet ontkennen dat mijn hoop op een betere wereld zal steigeren van enthousiasme op het moment dat de meest gekleineerde zakenman zijn pen neerlegt en met een kwast en zwarte verf een dansend figuur op zijn deur schildert. Het spel van betekenis is afhankelijk van actoren die deze betekenis toekennen. Hoe analer wij trachten deze binnen de reeds bekende structuren te temmen, hoe kleiner de kans op de creatieve revolutie wordt. Het is daarom dat de grijns éérst vernietigend moet zijn, dan scheppend. De grijns is in zijn geheel een beweging, geen intensiteit.

         In de verkenning van de relatie schrift/kunst door CoBrA lid Alechinsky, bijvoorbeeld in La Fourmilière (een werk dat na het uiteenvallen van CoBrA is gemaakt), zien we deze vernietigende/scheppende beweging terug: eigenlijk al als een aankondiging van de filosofie van Derrida. In zijn kunstwerken heeft Alechinksy regelmatig de limieten van het schrift opgezocht en deze doorbroken. Hiermee toonde zich een nieuw veld: de kunst van het schrift. Dit verschilt misschien hierin van de Japanse kalligrafen, dat het schrift dusdanig vernield wordt, dat het enkel nog als schrift herkend kan worden, maar niet de gebruikelijke betekenis-dragende functie kan volbrengen. Schrift als drager van boodschap: maar door de druk van het spel breekt het open en krijgt de boodschap een andere weg naar buiten. Inderdaad blijkt er geen grens tussen schrift en wereld te zijn, een Derridiaanse these die in de intuïties van CoBrA al terug te vinden is. In La Fourmilière zien we bijvoorbeeld fragmenten van het schrift terug: referenties naar letters, die losgerukt van de woorden niet meer kunnen spreken. Lijnen die naar elkaar lijken te hunkeren, maar de verbintenis die enkel in de geest van de kijker kan ontstaan. De kijker die zich van zijn eigen kijken bewust wordt (in deze zin kondigt dit kunstwerk reeds het einde van de CoBrA groep aan) en in deze beweging een nieuwe houding aanneemt tegenover de oneindige stroom van symbolen om hem heen. Hun taal is veranderd. Misschien nog wel begrijpelijk, maar de neveligheid van het betekenen wordt in alle openheid getoond. Wat zeggen de kronkels van het fonetische schrift ons? Wat doen ze, wanneer ze teruggeplaatst worden in landschappen waar ze zich nooit thuis hebben gevoeld?

         Alechinsky vernietigt het schrift enkel om het wederom te openen in de wereld. Natuurlijk schrijven wij nog en kunnen wij de taal aanwenden om dingen te bedoelen: het openscheuren van de metafysica van de taal heeft echter de spelonken getoond die hier ten grondslag aan liggen. De vernietiging is scheppend en in de spanning vinden wij de uitdaging om in consistentie te willen blijven geloven.

         La Fourmilière is atypisch voor de CoBrA groep, omdat het niet alleen uitnodigt tot deelname aan de kunst, maar wederom teruggrijpt op de reflectie die verfoeid werd. Het markeert daarom de onvermijdelijke wederkeer van de metafysica in de kunst na het uiteenvallen van CoBrA, terwijl het nog steeds herkenbaar is als een werk beïnvloed door de CoBrA groep. De reflectie die het kunstwerk vraagt is drieledig. Ten eerste op de betekenis van het schrift. Dit heb ik hierboven al kort uitgelegd. Ten tweede op de betekenis van het kijken. Het wordt bij dit soort kunstwerken duidelijk dat het schrijven pas betekenis krijgt in de waarde die kijker toekent aan het symbool. La Fourmilière suggereert bovendien, á la Wittgenstein, dat betekenis geen individueel proces is, maar iets dat in interactie met de gehele ‘mierenhoop’ der maatschappij ontstaat. Alle lijnen op zich zijn betekenisloos, chaotisch, maar achter het geheel lijkt een orde te rusten – of blijkt dit wederom schijn? Dit is het derde punt van reflectie: over de toekennende kracht van betekenis door het maatschappelijke spel. De verborgen vraag is hier natuurlijk: maar betekent het allemaal wel echt iets? En wat vergt het beantwoorden van deze vraag? Een overschrijden van taalspelen? Kunnen wij ons werkelijk ooit uit de mierenhoop plaatsen en hopen dat wij deze vraag kunnen beantwoorden?

         Het cynisme keert dus weder met de reflectie. Alechinsky vormt de brug tussen CoBrA en de grijns: toont de overeenkomsten en overwint de verschillen. De vraag is natuurlijk, welke kunst gaat in de toekomst bij de grijns passen? Welke kunstwerken kunnen de grijns en het voorbij-de-grijns verbinden?

         Deze kunst moet aan verschillende eisen voldoen. Ten eerste moet zij cynisch zijn, om de aanknoping met de huidige tijd te kunnen vinden. Ten tweede moet zij vergetend zijn, dit is de beweging voorbij de grijns. Ten derde zal zij een nieuwe ideologie moeten vertegenwoordigen, die berust op de vergetelheid. Deze drie bewegingen zullen gevangen moeten worden, waarbij de kijker kijkend zijn eigen positie gewaar wordt, dan compleet verdwijnt, dan bovenkomt met nieuwe hoop in zijn drieste hart. Eerder benoemde ik de videokunst als kandidaat voor deze beweging, echter sluit ik niet uit dat het schilderwerk een gelijke functie kan vertolken. Ook hier zien we de tonende / vergetende beweging. Men hoeft enkel zó dicht op een kunstwerk te gaan staan dat de gezichten van de afgebeelden vervormen tot verfstreken om te beseffen dat wat getoond wordt, telkens weer verdwijnt in het proces van de projectie door de geest. De nieuwe kunst moet dit gegeven optimaal benutten, de grens opzoeken van wat de geest nog kan vatten – en op dit vlak de doorbraak bewerkstelligen naar het voorbij-de-grijns en een nieuwe eerlijkheid (zonder ooit het bedrog werkelijk te verhullen).