Blijf de aarde trouw! Gelatenheid als Activiteit – Heidegger en Nietzsche

Vorige week schreef ik over een mogelijke reactie op het Antropoceen: de gelatenheid. Dit volgde uit het denken van Peter Sloterdijk, volgens wie de hedendaagse Europese attitude tegenover de wereld gebaseerd is paniek en een zucht naar controle. De ironie was dat juist in het grijpen van de controle, deze telkens opnieuw verloren raakte. Techniek brengt een ambigue soort balans teweeg. We bereikten een stabiliteit in de relaties tussen grootmachten door de mogelijkheid van wereldvernietiging van de atoombom. We werken sneller dan ooit, maar houden minder tijd over. We zijn sterk verbonden via internet, maar bewegen daardoor gemakkelijk uit elkaar.

Verder lezen

Advertenties

Een Nietzscheaans Nieuwjaar: Amor fati!

Een Nietzscheaans Nieuwjaar!

Het is inmiddels Nieuwjaarsdag; 2017 is aangebroken en laat dat vreemde, in vele opzichten lelijke jaar 2016 achter zich. Ik herinnerde mij een spreuk van Nietzsche, geschreven in die fröhliche Wissenschaft, die ik graag met jullie zou delen. Het is af en toe moeilijk om nog van deze wereld te houden, die met rasse schreden naar een explosie van geweld en ellende lijkt te bewegen. In zijn Nieuwjaarswens roept Nietzsche zichzelf op om te leven naar de gedachte het noodzakelijke aan de dingen ook als het mooie te zien. Verder lezen

Nietzsche versus God?

Friedrich NietzscheWe kennen Nietzsche als de filosoof met de hamer, de epische snor en een grenzeloze afkeer van het Christendom. We kennen Nietzsche als de filosoof die in het befaamde aforisme het “God is dood!” dramatisch liet schallen. We kennen Nietzsche als de auteur van de polemiek Anti-Christ, waarin niets van de Christelijke traditie gespaard blijft onder het gehak van zijn venijnige kritiek. Het schijnt de atheïstische Nietzsche lezer dan misschien een zwerende contradictie te zijn, dat diezelfde Nietzsche de auteur is van het gedicht “Dem Unbekannten Gott”. Dit gedicht, gericht aan een onbekende God, besluit de grote verdediger van de Herenmoraal zelfs met de woorden: “Ich will dich kennen, selbst dir dienen.” Slaat dit een gat in onze conceptie van Nietzsche als de grote ontmaskeraar van al het religieuze?

Het is natuurlijk zo dat Nietzsche nog erg jong was toen hij dit mooie gedicht schreef. Op negentienjarige leeftijd zal hij nog niet de contouren van zijn destructieve filosofie hebben kunnen zien. Echter, en dit is een belangrijke les die we uit dit gedicht kunnen trekken, speelt religie ook later nog altijd een rol voor Nietzsche. Zo noemt hij zichzelf in Jenseits von Gut und Böse “anti-christelijk, maar niet anti-religieus”. Het ontmaskeren dat Nietzsche telkens weer aangaat is misschien niet te zien als een reductie, als wel als een onthulling van diepte achter het masker. In dit kader spreekt Nietzsche ook over de “grot achter de grot” die we kunnen ontdekken: het ontmaskeren kent misschien wel helemaal geen bodem die we kunnen bereiken. Ik speculeer hier nu, maar in mijn lezing van Nietzsche is dit eindeloze dieper-kunnen-delven in onze wereld wat het religieuze vormt.

Gaat Nietzsches gedicht over de Christelijke God? Moeten we zoeken naar een opheffing van het verschil tussen dit gedicht en de rest van zijn filosofie? Ik laat deze vragen open, zodat dit prachtige gedicht verder voor zichzelf kan spreken:

Dem Unbekannten Gott

 

Noch einmal, eh ich weiterziehe
und meine Blicke vorwärts sende,
heb ich vereinsamt meine Hände
zu dir empor, zu dem ich fliehe,
dem ich in tiefster Herzenstiefe
Altäre feierlich geweiht,
daß allezeit
mich deine Stimme wieder riefe.

 

Darauf erglühet tiefeingeschrieben
das Wort: Dem unbekannten Gotte.
Sein bin ich, ob ich in der Frevler Rotte
auch bis zur Stunde bin geblieben:
Sein bin ich – und fühl’ die Schlingen,
die mich im Kampf darniederziehn
und, mag ich fliehn,
mich doch zu seinem Dienste zwingen.

 

Ich will dich kennen, Unbekannter,
du tief in meine Seele Greifender,
mein Leben wie ein Sturm Durchschweifender,
du Unfaßbarer, mir Verwandter!
Ich will dich kennen, selbst dir dienen.

 

 

Bron: http://www.leesliter.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=98:dem-unbekannten-gott&catid=21&Itemid=178

Speciale dank aan Gerti voor het aanreiken van dit gedicht

Werkweek op een organische boerderij

“The universe that we observe has precisely the properties we should expect if there is, at bottom, no design, no purpose, no evil, no good, nothing but pitiless indifference.” – Richard Dawkins

Via het intiatief WWOOF (World Wide Opportunities on Organic Farms) vond ik een boerderij nabij Lille, waar ik in ruil voor onderdak en eten meehielp met het zorgen voor de gewassen. Zelfs met mijn twee linkerhanden en nul tuinierervaring ben ik de week zonder kleurscheuren doorgekomen – en bovendien met meer respect voor het bestaan van de organische boer. Op een organische boerderij zijn pesticiden en onkruidverdelgers uit den boze, evenals genetisch gemodificeerde gewassen en groeihormonen. Oftewel, het onkruid groeit even hard als de gewassen, overal ligt ongedierte op de loer en de productie kan door toevallige omstandigheden in gevaar komen. Mijn gastheer moest dagelijks samen met één betaalde werknemer, enkele stagiaires en wat vrijwillgers de strijd aan gaan om het land te temmen; regelmatig tot in de late uren.

Waarom zou iemand zichzelf zo’n bestaan aandoen als er zulke efficiënte technologische middelen voorhanden zijn? Wie toevallig de film Food Inc heeft gezien kent het antwoord al. Bijvoorbeeld, in de Verenigde Staten is de voedselproductie voor het overgrote deel in de handen van vier á vijf bedrijven. Dit betekent dat er op zeer grote schaal geproduceerd wordt, met als gevolg dat de boeren vaak de controle over hun eigen bedrijf kwijt raken en dat ziektes van gewassen en dieren zich sneller kunnen verspreiden. De hogere efficiëntie van de voedselindustrie eist zijn tol op dier, plant en uiteindelijk op de mens. De keuze voor organisch boeren is een keuze voor persoonlijke betrokkenheid tot het land, zorgzaamheid en respect voor het gewas dat verbouwd wordt. In tegenstelling tot de ideologie van grote bedrijven als Monsanto, trachten organische boeren de natuur niet te onderwerpen aan de wil van de mens, maar zoveel mogelijk samen met het natuurlijke tot productie te komen.

Praktisch zag dit er als volgt voor mij uit: mijn douche was een tuinslang met koud water, ik waste mijn handen met opgevangen regenwater, ik heb vele uren besteed aan het wieden van onkruid en we aten de beschadigde groenten die niet aan de klanten verkocht konden worden. Kortom, het leven op de boerderij werd voor een heel groot deel mogelijk gemaakt door de boerderij zelf. We aten vaak de groenten die we eerder op de dag zelf geplukt hadden. Dan blijkt plots hoe vervreemd ik eigenlijk in het dagelijks leven ben van de producten die ik gebruik. Van de meeste voedingsmiddelen en voorwerpen die mij omringen heb ik namelijk geen idee hoe ze ontstaan zijn. Waar komen de pinda’s in mijn pindakaas vandaan? Hoe wordt mijn brood gebakken – en waarvan? Waaruit onstaat het plastic dat overal om mij heen aanwezig is?

Filosoof Friedrich Nietzsche oppert dat wat wij denken sterk afhankelijk is van de werking van onze lichamen en dus van onze voeding. De manier waarop ons voedsel geproduceerd wordt, is dan sterk verbonden met de productie van een mentaliteit van een samenleving. Dit is natuurlijk een erg grote uitspraak, maar op kleine schaal herkende ik haar werking. Een organische boerderij produceert niet tegen de natuur in, maar behandelt haar zo veel als mogelijk als een doel op zichzelf. Dit leidt ertoe dat de boer een zeer directe verbinding met het land aangaat en dat alles wat hij oogst het onmiddelijk gevolg is van deze fysieke arbeid. Deze relatie vergroot opnieuw de dankbaarheid voor het land en de betrokkenheid met de productie, wat de wens de natuur als een doel op zichzelf te behandelen versterkt. Kortom, de organische productie maakt de mens in hoge mate onderdeel van het natuurlijke proces in plaats van heer en meester hiervan.

Hoewel de empathische houding van de boer tegenover zijn land hem enerzijds als gelijke tegenover dit land plaatst (en niet enkel als meester), creëert het ook een afstand met het natuurlijke.  De natuur is namelijk alles behalve zorgzaam voor haar onderdanen, zoals iedereen weet die ooit een documentaire op National Geographic heeft gezien. Het was maar een weekje dat ik geholpen heb met het boeren, maar ik kon zien dat dit leven zwaar was voor mijn gastheer. Zeven dagen in de week vergen zijn gewassen zorg en dan nog gaat een aanzienlijk deel van zijn oogst verloren. Zou het niet meer volgens de wetten van de natuur zijn om haar te willen onderwerpen, zoals een leeuw nooit empathie zal opbrengen voor een gazelle? Misschien is het antwoord hierop ‘ja’, maar dan is het de empathie die ons boven het natuurlijk tilt. Nog steeds bevat het boeren natuurlijk een wil tot onderwerping, maar deze onderwerping tracht geen grip te krijgen op de essentie van het natuurlijke. Dit respect en de acceptatie van het anders-zijn van de dingen zorgt er voor dat we nader kunnen komen tot deze dingen. Het genetisch gemodificeerde voedsel, dat weliswaar zoveel efficiënter groeit dan het natuurlijke gewas, verliest de eigenheid van het natuurlijke en verwordt tot een afbeelding van hoe de natuur volgens ons moet zijn.

Toen ik naar huis ging was ik blij dat ik weer onder een warme douche kon stappen en iets anders kon eten dan de eeuwige groentepap die me na een week nogal verveelde. Maar met een nieuwe blik kijk ik naar de wereld om haar heen en stel mij de vraag hoe zij mij vormt. De ontstaansgeschiedenis van de productie is hierbij van essentieel belang.

Wie ben ik? Deel 3: Nietzsche

In het laatste deel van dit drieluik verken ik de gedachten van Friedrich Nietzsche over het Zelf. We zullen zien dat deze denker een dubbele houding tegenover dit begrip heeft.

Friedrich Nietzsche (1844 – 1900) is de beruchte ‘filosoof met de hamer’. Deze bijnaam verkreeg de filosoof doordat het de ondertitel van één van zijn boeken was: Götzen-Dämmerung, oder Wie man mit dem Hammer philosophiert! De bijnaam typeert zijn stijl, omdat hij zich met passie stortte op de filosofie die aan hem vooraf ging en hierbij gepoogd heeft deze zo grondig mogelijk aan stukken te scheuren, te onthullen en omver te werpen.

Voor veel van de filosofen die voorafgaand aan Nietzsche schreven, was het Zelf iets dat duidelijk te onderscheiden was van het niet-Zelf. We kunnen denken aan filosoof John Locke, die dacht dat je een persoon kon herkennen aan een zekere continuïteit in zijn ervaringen. Ook de grote Duitse filsoof Immanuel Kant denkt dat we een soort onveranderlijk Zelf zijn. De intuïtieve definitie van het Zelf sluit hier bij aan: hoewel iemand verandert gedurende zijn leven, geloven we niet dat hij werkelijk een ander persoon is geworden. Toen ik een kind was, was ik ook al ‘Boris’, ondanks dat ik toen geen baardgroei had en niets over filosofie wist.

Nietzsche ontkent in zijn boeken regelmatig de mogelijkheid van het bestaan van zo’n onveranderlijk, continue Zelf. Een goed voorbeeld hiervan is wanneer hij zich tegen de Franse filosoof Descartes keert. Descartes geloofde dat de mens tot een iets (een ‘subject’, of een ‘zelf’) wordt, doordat hij kan denken. “Ik denk, dus ik ben.” De waarheid dat de mens een denkend ding is, volgt voor Descartes uit de observatie dat we aan alles kunnen twijfelen – behalve aan het feit dat er dan in ieder geval ‘iets’ is dat twijfelt. Kortom, het twijfelen (of, in zijn woorden, het denken) vormt dan de basis voor het Zelf.

In Jenseits von Gut und Böse §16 gaat Nietzsche tegen deze gedachte in. Het is volgens hem niet zo dat het duidelijk is wat we precies bedoelen, wanneer we zeggen: “Ik denk…”. We moeten oppassen voor de ‘Verführung der Worte’ [de verleiding van de woorden]. Immers neemt Descartes stilzwijgend aan, dat als er gedacht wordt, er ook iets moet zijn dat denkt. Maar waar komt deze aanname vandaan? Is dit niet een analyse van hoe onze taal werkt – en niet van de werkelijkheid? In onze taal hebben de meeste werkwoorden namelijk een subject dat deze handeling uitvoert. In andere talen hoeft dit echter niet zo te zijn! Een voorbeeld is dat in het Japans de werkwoorden zich niet naar de persoon voegen die ze uitvoert. Inderdaad zien we in hun filosofie een veel minder sterk ontwikkeld idee van een geïsoleerd ‘Zelf’. Nietzsche zou hier wel eens een punt kunnen hebben: dat veel van onze ‘waarheden’ volgen uit de structuur van de taal, en niet vanuit de structuur der werkelijkheid.

Kortom, Nietzsche keert zich regelmatig tegen het idee van het Zelf als een duidelijk begrensd ding. Het lijkt dan misschien een paradoxaal gegeven dat het nu juist een centraal doel van Nietzsches filosofie lijkt te zijn, het Zelf te ontplooien en ontwikkelen! Deze paradox lost zichzelf echter snel op, wanneer we dieper graven in de positieve passages van Nietzsche over het Zelf.

In tegenstelling tot de Boeddha of Hegel ziet Nietzsche er geen probleem in om het Zelf nu juist wél te identificeren met de stroom aan ervaringen en verlangens die in ons bewustzijn voorbijtrekken. Zo beschrijft Nietzsche de Ziel in Jenseits von Gut und Böse §12 als een “Subjekts-Vielheit” (een veelheid subject). Het Zelf is dan niet langer een rigide ding dat uit de ervaring afgeleid moet worden, het is iets geworden dat in het veranderlijke bestaat.

Het Zelf van Nietzsche is een dansend Zelf, dat zich niet laat vangen of temmen in de valstrikken van de intuïtie of oude filosofie. Als Nietzsche dus oproept om ‘te worden wie wij zijn’ (vrij naar de ondertitel van zijn boek ‘Ecce Homo’), bedoelt hij niet dat we in steeds strengere isolatie het Zelf moeten afbakenen. Veeleer bedoelt hij dat we onze driften moeten leren begrijpen, de ervaring koesteren en uiteindelijk vanuit deze jungle van verlangens een sterke Wil moeten vormen, die ons voorbij alle oude categorieën trekt.