Tegen het Schone Geweten

Het schone geweten is een gevaar, omdat het zelf besmet is met de kwaal die het slechts bij anderen waarneemt: de overmoed, hubris. Er bestaat een lange traditie van het denken met en tegen het schone geweten, een ader die gedachten voert van Kierkegaard tot Nietzsche, van Schelling tot Sloterdijk – deze grote meesters van de argwaan, die telkens hun vraagtekens hebben gezet bij het moderne enthousiasme over wat de mens vermag. Mijn thesis hier is dat het verstandig is te luisteren naar deze kritische stemmen in de tijd van het Antropoceen, dat een denkbeweging naar bescheidenheid gevergd is, maar dat dit een beweging zal zijn waarbij het schone geweten bevlekt raakt, beter, altijd al bevlekt blijkt. Dit stuk kent drie onderdelen, waarin ik eerst uiteenzet wat het schone geweten behelst, dan in welke zijnsstaat het Antropoceen de mens werpt, om te eindigen met de thesis dat een bescheiden ondeugendheid allicht het leven in de catastrofe dragelijker maakt voor planeet en mens.

Verder lezen

Advertenties

Helmuth Plessner: Dingen Dubbel Zien

 

Plessner: De twee gezichten van het Ding

Helmuth Plessner was een door de fenomenologie beïnvloedde Duitse denker, die gedurende een decennium voor het uitbreken van WOII ook nog in Nederland gedoceerd heeft. Ik kwam zijn werk op het spoor via twee wegen. Enerzijds is hij een denker die behoort tot de canon voor het schoolvak filosofie. Als docent in opleiding verdiepte ik mij daarom wat in zijn gedachten en zag parallelen met mijn eigen project. Ten tweede is zijn werk een voortzetting van wat ik zie als het natuurfilosofisiche denken: een zoektocht naar de rol van filosofie over de natuur tegenover (en met) de natuurwetenschappen. Wat Plessners werk tamelijk uniek maakt is dat hij, in tegenstelling tot sommige andere filosofen uit zijn tijd, niet streeft naar een kritiek op de wetenschap, maar naar een kritiek van de wetenschap.

Verder lezen

Van de Extinctie II: Erkenning

1eedd6e5-f265-4157-b304-1f678d043d48

Foto 1. Hert bij de Waterleidingduinen. Bron: Het Parool.

De volgende post is een longread. Ik heb op verzoek tweemalig (bij deze en de vorige post) voor dit format gekozen. Hierdoor heb ik de ruimte gekregen om mijn gedachten iets breder uit te werken. 

In wat volgt doe ik een eerste poging om te denken waarom het een kwaad is als andere levenssoorten uitsterven door menselijk toedoen. Ik zal laten zien hoe we via de waarneming van levende wezens een raakvlak van beschrijving en ethiek kunnen onthullen. Als we een levensvorm als zodanig erkennen, dan erkennen we ook dat het een Andersheid heeft ten opzichte van ons. Deze Andersheid zou mogelijk kunnen functioneren als grond voor respect van het andere leven.

Vervolgens zal ik een argument tegen mijn positie inbrengen: ligt in de erkenning van het andere leven niet de mogelijkheid tot vergissing? Dat wil zeggen: hoe weten we dat het andere leven ‘echt’ is, kan onze waarneming geen vergissing zijn? Dit zal ik weerleggen.

Ik eindig met enkele vragen en tekortkoming van de benadering die hier voorgesteld wordt. Het belangrijkste probleem is dat de erkenning verloopt via onze menselijke maatstaven. Niet al het leven is voor ons evenveel waard. De ethiek, echter, lijkt ons te vragen deze ‘belemmering’ te overschrijden.

Verder lezen