Van de Extinctie II: Erkenning

1eedd6e5-f265-4157-b304-1f678d043d48

Foto 1. Hert bij de Waterleidingduinen. Bron: Het Parool.

De volgende post is een longread. Ik heb op verzoek tweemalig (bij deze en de vorige post) voor dit format gekozen. Hierdoor heb ik de ruimte gekregen om mijn gedachten iets breder uit te werken. 

In wat volgt doe ik een eerste poging om te denken waarom het een kwaad is als andere levenssoorten uitsterven door menselijk toedoen. Ik zal laten zien hoe we via de waarneming van levende wezens een raakvlak van beschrijving en ethiek kunnen onthullen. Als we een levensvorm als zodanig erkennen, dan erkennen we ook dat het een Andersheid heeft ten opzichte van ons. Deze Andersheid zou mogelijk kunnen functioneren als grond voor respect van het andere leven.

Vervolgens zal ik een argument tegen mijn positie inbrengen: ligt in de erkenning van het andere leven niet de mogelijkheid tot vergissing? Dat wil zeggen: hoe weten we dat het andere leven ‘echt’ is, kan onze waarneming geen vergissing zijn? Dit zal ik weerleggen.

Ik eindig met enkele vragen en tekortkoming van de benadering die hier voorgesteld wordt. Het belangrijkste probleem is dat de erkenning verloopt via onze menselijke maatstaven. Niet al het leven is voor ons evenveel waard. De ethiek, echter, lijkt ons te vragen deze ‘belemmering’ te overschrijden.

Verder lezen

Advertenties

Voorbij tolerantie

Ik pleit hier voor een hernieuwde vraag naar het wezen van tolerantie. Is dit begrip geschikt  voor de huidige problemen van Europa? Ik onderzoek deze vraag aan de hand van de discussie tussen Jürgen Habermas en Jacques Derrida.

Nieuwe vraaghorizon

We beleven rumoerige dagen waarin veel van het gereedschap dat ons hielp de wereld te begrijpen plots bot blijkt te zijn. Niet langer voldoen onze concepten, en misschien ook onze ethiek niet, om recht te doen aan de vragen die afgelopen jaar voor ons Europeanen opwierp. Ergens tussen humanisme en neoliberalisme worstelt Europa met het vluchtelingenvraagstuk, onderlinge solidariteit, internationale betrekkingen – en dit alles onder de gitzwarte horizon van een dreigend klimaatprobleem. Eerder betoogde ik al dat we opnieuw moeten leren vragen in plaats van de simpele voorhanden antwoorden te accepteren. Enkele weken na het schrijven van dit stuk ben ik hier nog sterker van overtuigd geraakt. We staan gezamenlijk voor de moeilijke taak om een nieuwe vraaghorizon te ontdekken, vanuit én voorbij aan het denken zoals dat ons bekend is.

In dit artikel wil ik een deel belichten van de tweestrijd tussen de Duitser Jürgen Habermas en de Franse filosoof Jacques Derrida. Deze tweestrijd is deel van de vraag naar de toekomst van Europa. Waar de eerste telkens poogt om het Europese Verlichtingsdenken om te smeden tot een hanteerbaar en verdedigbaar geheel in de 21e eeuw, heeft Derrida zich juist geconcentreerd op een genadeloze deconstructie van de concepten die ons uit de Verlichting zijn overdragen. Het verschil tussen deze twee benaderingen komt goed naar voren in het denken over tolerantie¸een begrip dat in onze multiculturele samenleving van ongekend belang is.

Derrida over tolerantie

Derrida linkt het begrip van tolerantie aan het christelijke denken, waardoor het niet zo’n neutraal begrip blijkt te zijn als dat het zich voor doet. In het moderne denken, bijvoorbeeld bij Spinoza, vinden we een verdediging van tolerantie vaak juist als onderdeel van een geseculariseerde redelijkheid. Het begrip zou juist voorbij zijn aan het christelijke. Derrida ontkent dit, doordat hij het begrip linkt aan liefdadigheid, in de christelijke zin. Tolerantie is dan een analogie voor het geven van de rijken aan de armen, oftewel een symptoom van een vrij sterke paternalistische relatie. Het probleem is daardoor dat tolerantie een éénzijdige en daardoor ook voorwaardelijke relatie is. De meerderheid bepaalt wie ze tolereert en onder welke voorwaarden. Wie getolereerd wordt, heeft daardoor het gevoel niet gelijkwaardig aan de tolererende partij te zijn. De vraag is daarom voor Derrida of tolerantie niet eigenlijk verhulde discriminatie is, die in werkelijkheid gelijkwaardigheid tegenwerkt.

Tegenover tolerantie plaats Derrida daarom zijn concept van onvoorwaardelijke gastvrijheid. “Pure en onvoorwaardelijke gastvrijheid, gastvrijheid zelf, opent of is bij voorbaat open voor iemand die noch verwacht, noch uitgenodigd is, voor wie er dan ook aankomt als een absoluut onbekende bezoeker, als een nieuwe aankomst, niet identificeerbaar en onvoorzienbaar, kortom, een volledige ander.” (eigen vertaling uit Borradori, 2003, p. 17) Gastvrijheid als onvoorwaardelijke openheid is voor Derrida het werkelijke ethische ideaal. In Derridas ethiek gaat het namelijk om de relatie met de Ander, die zichzelf volledig als Ander mag behouden. Dat wil zeggen, we zoeken geen gemeenschappelijke grond, maar respecteren elkaar juist daar waar we verschillen. Tolerantie zet stiekem de wet van de heersende meerderheid vooruit en ziet de acceptatie van iedere afwijking van deze wet als een liefdadigheid.

Habermas over tolerantie

Habermas erkent veel van Derridas zorgen over dit concept en wijst er ook op dat de heersende authoriteit een flinke vinger in de pap heeft bij de verwerkelijking van tolerantie. Zo is het aan deze authoriteit om aan te geven wat nog wel en niet getolereerd wordt. In Nederland is er continue discussie hierover: in hoe verre is aanpassing van de nieuwkomers gewenst? Aan wie is het om dit te beslissen?

Habermas verdedigt ondanks de wankele positie van tolerantie dit begrip toch. Dit komt omdat hij gelooft dat in een goed functionerende democratie de bewoners van dat een land zelf de authoriteit zijn, die mag beslissen over wat getolereerd dient te worden. Er is dan geen eenrichtingsverkeer in de tolerantie-relatie, want iedere inwoner van een land beslist mee over de vormgeving van deze norm. Tolerantie is deel van een steeds hervatte, vredige discussie. In een ideale democratie verdwijnt daarom de assymetrie uit het tolerantie-begrip (Borradori, 2003, p. 16). De vraag naar tolerantie is dan een vraag naar hoe we ervoor zorgen dat de democratie goed blijft functioneren.

Afweging

De les die ik trek uit deze discussie is dat tolerantie niet onze gewetens kan doen sussen. Onder een slapend goed geweten kan een ongekend geweld huizen. Ik waardeer daarom Derridas poging om het begrip te deconstrueren en opnieuw te bevragen. Voor het pure denken, of de filosofie pur sang, is zijn alternatief een interessante optie. Echter, bezien we de problemen van Europa praktisch, dan is het de vraag of er al ruimte is voor het begrip van onvoorwaardelijk gastvrijheid. De discussies van afgelopen maanden lijken aan te tonen dat er hier weinig voedingsbodem voor zal zijn. Ik denk dat het goed is om een ethisch ideaal voor ogen te hebben, maar dat we dit vooral moeten gebruiken om te onderzoeken waarom de gastvrijheid zo onpopulair is op het moment. Waar komen de angsten vandaan – hoe reëel zijn ze? Wat zegt dit over Europa en haar positie in de wereld? Wat beweegt de opstanden tegen AZCs?  Voor deze vragen is nu juist de democratische inslag van Habermas effectief: wanneer slaat communicatief handelen om in vreemdelingenhaat en angst? Hoe kunnen we de condities herstellen voor een goed functionerende democratie?

Lees verder:

Borradori, Giovanni [interviewer]. Philosophy in a time of terror: interviews with Jürgen Habermas and Jacques Derrida. Chicago: Chicago University Press. 2003.